Vive Le Geus hoofdstuk 9

 

 

Hoofdstuk 9

Vive le Geus

15 september 1566.

Boven Hierden gloorde de morgen, achter de Ouwenkamp, de Hogenoort, de muyskamp, de Soeven Mudden, het Papenerve. Een vleugje licht gleed langs de lucht, de belofte van de nieuwe dag. Langzaam aan kreeg het meer diepte. Uit het muisgrijs schoof geel te voorschijn en daarop flitste het roodpurper in banen en strepen boven het geboomte in de verte en glinsterde in het bewegende water van de Zuiderzee. Deze leek op dit ogenblik één stuk dansend, glinsterend vuur, waar je niet tegenin kon kijken, een trillende gouden plaat, waarboven de meeuwen cirkelden en krijsten.

Toch dwaalden voortdurend scherpe blikken die kant op. Wat waren de verwachtingen van het volk van Harderwijk?

Gosen Zeegers had zich, terwijl de blauwe schaduwen van de nacht nog om de stadsmuur hingen, in een mezenkooi genesteld. Mezekouwen waren vogelkooivormige uitgekraagde kleine wachthokjes boven en buiten aan de muur. Hij wilde niet, dat iemand hem daar zou zien, daarom had hij nog vóór zonsopgang de plek opgezocht, die hij gisteravond met zichzelf heeft uitgezocht. Op de muur zou hij kunnen gaan staan, maar daar zou hij teveel opvallen. Hij heeft hier wel minder ruimte om zich te bewegen, maar dat is minder. Van hieruit heeft hij een goed gezicht over de zee naar het oosten.

Langs het blokhuis kan hij met zijn blikken de zeeoever volgen tot waar deze zich in de verte verloor. Daar ergens verwachtte hij de omtrekken van een schip uit de horizon omhoog te zullen zien glijden. Hij wilde er bij zijn als Roodbaard in Harderwijk aan wal stapte. En hij wilde de eerste zijn, die hem zag komen.

Vol verwachting klopte zijn hart. Zou deze dag voor Harderwijk en voor de hele Veluwe de dageraad van de vrijheid betekenen?

Vanuit Spanje werd het land geregeerd, vanuit Brussel. Uit Madrid kwamen de plakkaten. Die het volk in zijn vrijheid beknotten. Waarom wilde Filips de mensen niet vrijlaten in hun overtuiging? Het was toch goed om de Heere te dienen? Maar wie dat wilde, ging naar de brandstapel.

“Ja, als ze hem te pakken kunnen krijgen,”zo vervolgde Gosen zijn gepeins. Dat viel lang niet altijd mee. En hier in Harderwijk zou het helemaal niet zo eenvoudig zijn.

Maar Wege Elbertse werd gezocht.

Hij had er bijna de hele nacht over liggen piekeren. Die Jezuïet was niet meer in de Harskamp, had hij van Wolter gehoord. Brand van Delen was van oordeel geweest, dat er teveel risico aan verbonden was wanneer hij daar al te lang bleef opgesloten. Het huis Ten Ham had altijd veel bezoekers en iemand mocht zijn mond eens voorbijpraten als hij van de verblijfplaats van de zich noemende pater Ludovicus op de hoogte was. Jan Willeken, een Fries edelman, familie van de vrouw van Brand van Delen, had hem meegenomen en ergens in de wildernissen van de Friese Wouden kreeg hij verder gelegenheid om na te denken over het woord verraderlijkheid. Of het helpen zou?

Gosen knikte nadenkend met het hoofd.

Misschien had iemand zijn mond reeds voorbijgepraat. Hoe kon Andrys Roest anders op de gedachte zijn gekomen, dat Wege Elbertse had meegeholpen om de Jezuïet te doen verdwijnen?

Afijn, zij waren gewaarschuwd. En nu niet meer daaraan denken. De tijd zou het wel uitwijzen. De komst van roodbaard was voor het ogenblik belangrijker.

Gosen was niet de enige, die vroeg was opgestaan om naar de komst van de prediker uit te kijken. Telkens zag hij mensen op de muur klimmen om een blik over de zee te werpen. Het grote nieuws had in Harderwijk de ronde gedaan.

Op de bovenste omgang van de Bruggepoort zag hij beweging. Een man hield de hand boven de ogen en tuurde over de watervlakte. Hij moest zich al heel erg vergissen wanneer dat niet de schepen Reyer Wolff was. Nu, die wist ook wat hij wilde. Wanneer alle schepenen en gemeenslieden waren zoals hij, dan zou in Harderwijk al lang orde op zaken zijn gesteld.

Maar misschien gebeurde dat vandaag wel.

Een vreemde stilte hing boven de stad. Geen enkele misklok werd geluid. Men vreesde in de kloosters, dat het volk het niet meer zou nemen.

Het geduld van Gosen werd nogal op de proef gesteld. De uren verstreken en er begon twijfel bij hem op te komen. Kon het zijn, dat Arent het mis had gehad? In de voormiddag zou Roodbaard komen, had hij gezegd. Maar de voormiddag was al bijna verstreken.

Opeens hoorde hij roepen ergens op de muur. Of kwam het van de Bruggepoort?

Handen werden oostwaarts gestrekt en hij wendde de blik in die richting. Het lukte hem echter niet, iets op het water te onderscheiden, buiten hier en daar een dansende visserspink. Misschien konhij bovenop de muur beter zien. Hij werkte zich uit de nauwe ruimte de hoogte in.

Toen golfde de opwinding door hem heen.

Zijn ogen waren gewend om in de verte te kijken. Jarenlang had hij met zijn vader op zee doorgebracht.

Het was beslist niet een vissersschuit, die daarginds naderde. Een smak was het. Dat verwonderde hem. Wie had er in Elburg een smak?

Lambert Francken natuurlijk. En toen wist hij ook meteen, dat deze smak een kostbare lading vervoerde.

Lambert Francken was de voorman van de hervormingpartij in Elburg, hij met Henrick Reeffs. Hij had Roodbaard onder zijn hoede genomen, zodat deze veilig in Harderwijk zou worden afgeleverd.

Steeds duidelijker tekende zich de vormen van de schuit af. Het zong in Gosen.

De poorters van Harderwijk zouden een blijde dag beleven. Wie wilde!

Ja net wie de Heere gehoorzaam wilde zijn, die zou een blijde dag hebben. Gosen haastte zich naar huis, hoewel dat vlakbij was.

“Ze komen, vader.”

“Zo mijn zoon, dan zullen wij gaan zien.”

Gerrit Zeegers legde het werk neer, dat hij onder handen had en stapte met zijn zoon de straat op. Nog meer vissers en zoutzieders stevende in de richting van de Bruggepoort, waar de steiger was voor de grote schepen. Vissers konden dat doen als zij aan de wal waren. Vissers waren vrij. Werkvolk zagen zij nauwelijks. Dat bleef achter de weefgetouwen en in de spinkamers, bij de brouwketels.

Gosen kreeg gelijk. Het was Reyer Wolff, daar op de omgang van de Bruggepoort. Zij zagen de schepen van boven komen toen ze de poort bereikten, en liepen met hem de steiger op.

“Wat ge zegt, Gerrit Zeegers, eet vis als ze er is. Een gelegenheid als deze krijgen we misschien niet spoedig weer.”

“Evenzeer gelijk hebt ge, heer schepen. Misschien ligt hier een kans voor de vroedschap om Roodbaard voor onze stad te behouden. Mr. Willem Barbier weet een goed stichtelijk woord te spreken, maar het woord verklaren, daar zijn de predikers voor. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid, zegt Maarten.”

Rappe voeten snelden door de straten van Harderwijk en op de hoeken klonken luide kreten, die gretig werden doorgegeven.

“Roodbaard is er!”

Die roep maakte blijde gezichten, tekende op andere verwondering, verachting bij een enkele, die wist wat dit betekende.

Rutger van Baer schrok, toen de roep tot zijn kamer doorklonk en hij haastte zich uit de wehme naar Maarten Otten, de kerkmeester in de Smedepoortstraat. Nu voelde hij zich niet veilig meer. Het was hem bekend, wat er in andere plaatsen was voorgevallen. Rutger van Baer was bang voor zijn hachje. Er werd nauwelijks op hem gelet. Hij had hier afgedaan.

Een vorstelijk ontvangst viel Johan van der Linden ten deel. Door de vier en veertig straten van Harderwijk kwamen ze aangesneld, de heilbegerige zielen, met de nieuwsgierigen, op sensatie beluste mensen. Die waren er ook. Ze verdrongen zich op de in zee uitgebouwde steiger, waarheen de smak koers zette.

Er ging een gejuich op, toen deze tegen de steiger botste, wat heen en weer wiebelde en dan door sterke knuisten werd vastgehouden.

Folkert Fot, bijgenaamd de halve zot van Harderwijk, drong tussen de mensen door. Van de een kreeg hij een grauw, van de andere een snauw. Een volgende echter maakte vriendelijk plaats voor hem. “Ga maar, Folkert. Jij hoort er ook bij.”

Zo bereikte hij tenslotte Gosen Zeegers en trok deze aan de buis. Gosen stond helemaal vooraan en had een touw gegrepen om de boot te houden. Folkert staarde met grote ogen naar de forse gestalte in de boot. Die moest voor hem wel zoiets als een wereldwonder zijn.

“De baard van Roodbaard is een vuur”, zei hij brabbelend. “Hij zal de bliksem van de preekstoel slaan.”

Gosen knikte hem glimlachend toe.

Je overdrijft, Folkert. Maar rood is hij. En preken kan hij. Dat zul je horen vandaag.”

Een statige verschijning was het, daar bij de mast, in een zwartlakense tabbert, waartegen de rode baard scherp afstak. Die gaf hem inderdaad iets vurigs.

“Heer Wolff,”zei Gosen, “wie zijn het, die op punt staan in onze stad voet aan wal te zetten? Lambert Francken ken ik en Henrick Holten, gezegd halfpaap, de secretaris van Elburg. Maar die roodgetabberde man?”

“Dat is Jan van Speulde uit Hattem, een steunpilaar der waarheid.”

“O,is dat hem uit Hattem.”Gosen knikte.

Hij was een neef van de Harderwijker schepen Reynier van Speulde. Ze kwamen beiden uit een goed nest.

Toen de smak vast lag,stapten de reizigers de steiger op. Reyer Wolff begroette hen en drukte hen de hand.

“Wellekome zijt ge in de veste Harderwijk, heer Lindanus. Ge deed er goed aan de Hanzestad Harderwijk niet te vergeten. En deze dag zal door ons niet vergeten worden. Onze God sterke u en zij u genadig.”

Ernstig was zijn stem. Maar dit was ook een groots moment. De mensen verdrongen elkaar bijna om Roodbaard toch maar goed te kunnen zien. Slechts door een nauwe opening tussen de kijkers gelukte het de poort te bereiken en de straat daarachter.

“Vive Le Geus!”werd er geroepen. En weer, en weer, luid en vol.

Het daverde langs de huizen, golfde door de straten. Hoofden veerden omhoog en zetten de oren tot luisteren. Meer mensen haastten zich in de richting van de Bruggepoort, waar het geroep aanzwelde tot een machtig gedreun.

Johan van der Linden weerde glimlachend af. Hij was hier niet gekomen om bewierookt te worden. Hij kwam slechts als dienstknecht van zijn Meester.

Harderwijk had nimmer tevoren zoiets meegemaakt. Wanneer er een nieuwe pastoor kwam, nu, dan kwam hij en de volgende zondag zagen en hoorden de mensen hem in de Vrouwekerk. Maar nu,zelfs met een processie was er nog nooit zoveel volk op de been geweest. Een zegetocht werd het, langs de Vrouwekerk en door de Smedepoortstraat, Reyer Wolff met Lindanus voorop, dan het Elburgs en Hattems geleide. Daarachter de zingende en schreeuwende Harderwijkers.

Het “Vive le Geus”was niet van de lucht. Vuisten werden opgestoken naar de Begijne – en de Vrouwekerk. Maar dat waren er slechts weinige. De meesten hadden hun aandacht bij de prediker, die in hun midden verschenen was.

Hinrich Hase verwachtte zijn gasten.

Waar zou een prediker beter onderdak gebracht kunnen worden dan bij deze waardevolle waard, die gezegd had, lijf en goed over te hebben voor de zaak van de relegie?

In het huis van Marten Otter, schuin er tegenover, stond, met blikken van verbeten woede, Rutger van Baer voor het raam en zag, dat zijn herderstaf hem nu voor goed ontviel en aan een ander gegeven. Het was duidelijk, deze Roodbaard, hij kende hem, zou prediken van zijn preekstoel. Hij was, hoewel men hem nu al ruim twee jaar lang had verboden zijn dienst waar te nemen, steeds in Harderwijk gebleven, in de hoop, dat de stadhouder en de kerkelijke balie in Utrecht zijn bezwaarschriften geldig zouden verklaren en hij weer in eer hersteld zou worden. Het was niet geschied en Rutger van Baer begreep, dat er nu in de stede van Harderwijk geen plaats meer voor hem was.”Dit is het einde, Otten,”zei hij. “Zorg gij, wanneer het wat rustiger is geworden, voor een rijtuig. Ik vertrek. Rutger van Baer heeft afgedaan in Harderwijk, waar het kettergebroed nu een grote mond opzet. Naar Arnhem vertrek ik. Laat mijn huishoudster met mijn zoon Tobias daar ook komen. Zij kunnen beter met het beurtschip reizen, al zal het langer duren. Voor hen betekent tijd niets. Zij hebben niets te doen.”

Een rumoerige drukte deinde voor de taveerne Het Vergulde Hert heen en weer. Folkert Fot was er en Toon Rap, de aanbrenger, Coert de stadsdienaar, nu roedendrager, Claes Gerrits, de schoenmaker, die zich niet bij zijn leest had kunnen houden, Wolter Hubrechtse, de beide Zeegers en zoveel anderen nog.

Vanuit de Donkerstraat kwamen Daniël Rensen, de secretaris van de raad, Reinier van Speulde en Mr. Willem Barbier aangelopen, op de voet gevolgd door Ernst Witten en Gerret Maurissen. Er werd gewillig ruimte gemaakt voor de notabelen,toen ze Het Vergulde Hert binnen gingen.

Hinrich Hase had zijn slinger, dat stond duidelijk op zijn gezicht te lezen. Het was één brede glimlach, waarin zijn bruine, vuurschietende ogen des te meer opvielen. Dit was zijn dag. Eindelijk was het grote gebeuren ook in Harderwijk een feit geworden. Hij zou wel willen zingen, maar wist niet wat. Henrich Hase had geen zingen geleerd.

Maar het beste vaatje bier, dat hij apart had gehouden voor een heel bijzondere gelegenheid, haalde hij nu uit de kelder. In de mooiste tinnen kroezen zou hij het schenken.

Gosen Zeegers kwam glunderend de achterdeur binnen.

“Je hebt hulp nodig, Hinrich Hase.”

“En jouw neus staat naar de insteek. Kijk, daar heb je je hartsverlangen. Van nu af aan zal er een nieuwe wind door Harderwijk waaien.”

De heren zaten om de grote eikenhouten tafel en nipten van de kostelijke drank, die Hinrich en Gosen voor hen neerzetten.

“Schrijf dit op rekening van de stede, waard,”zei een der schepenen.

“Het bier van Harderwijk is in ieder geval best,”merkte Johan van de Linden op. “Waar moet ik voorgaan?”liet hij er toen op volgen.

Ja, dat was zo wat. Daar had men nauwelijks over nagedacht. Het nieuws was van de een naar de ander gegaan, maar overleg was er niet geweest. De heren keken elkaar aan, tot Gerrit Maurissen het woord nam.

“Ik zou zeggen, op de markt. Daar hebben we ruimte en ieder die wil, kan meehoren.”

Maar Ernst Witten schudde het hoofd.

“ ’t Lijkt mij niet wat,”zei hij. “De stede van Harderwijk is niet een plaats waar men hagepreken moet hebben. De vroedschap heeft wel iets beters te bieden. Op het raadhuis lijkt mij meer stijlvol, stichtelijker ook.”

Er viel voor beide wel iets te zeggen en ze lieten het eens in zich omgaan. De beslissing moest in ieder geval van hen komen. Toen nam Daniël Renssen het woord.

“Mannen, zo gaat het niet. Als Gods Woord gebracht wordt, dan dient het gebracht te worden in het Godshuis, ook al staan de beelden daar. De apostelen hebben wel in heidense tempels gepreekt.”

Er ging een zucht van verlichting op. De secretaris had het verlossende woord gesproken.

“Dan moet het in de Broederkerk zijn, waar we altijd gingen als Everhardus Doesborgh preekte. In de vrouwekerk riekt het me nog te veel naar Rutger van Baer.”

Zo werd besloten en toen de kroezen geledigd waren, verhieven de heren zich van hun zetels. De waard liet de taveerne aan zijn vrouw. Dit wilde hij niet missen. Wat gaf een mens in deze tijd, in álle tijd meer steun dan het woord van God?

In optocht ging het naar de Broeren en Joseph van Arnhem, nu gardiaan van het klooster, kreeg de schrik van zijn leven. Een ketter op de preekstoel in zijn kerk? Het gebouw zou ontwijd worden. Zoiets mocht hij niet toelaten.

Maar de schepenen lieten hem weten, dat hij zich kalm diende te houden, omdat nu eenmaal besloten was, dat hier gepreekt zou worden. Hij hoefde zich ook over niets ongerust te maken. Zij waren steeds in zijn kerk gekomen om preek te horen en dat wilden zij ook nu.

Sputterend trok de gardiaan zich terug. Hij vreesde het ergste. Geruchten over de Beeldenstorm hadden ook het klooster bereikt. Wat kon hij er tegen doen wanneer de mensen kwaad wilden? Ketters waren tot alles in staat.

Het ogenblik kwam, dat Johan van de Linden de kansel beklom. Onderwijl liep de kerk vol en het waren niet alleen de ketters, die zich daar bevonden. Maar een rumoerige mensenmenigte was het niet meer. Door het zien van de eerwaardige gestalte op de preekstoel? Door de wijding van het ogenblik? Het deed er niet toe. Dit ogenblik was van hoge waardij en een ieder scheen dat te weten.

Stil werd het, adembenemend stil.

Van de preekstoel klonk de melodieuze stem van de prediker: “Toehoorders, uit den Woorde Gods zal u dit verkondigd worden, het Woord, dat sancte Paulum schreef: “Want ick en heb mi nyet uyt gegeve iet te wete onder ulieden dan Jesum Christum en die gecruyst.”

Een gewijde stilte hing er in de hoge ruimte en over veler gezichten lag een blijde glans. Ze dronken begerig de woorden, die van bovenaf tot hen kwam. Dit was zo totaal anders dan zij gewend waren. Zelfs Everhardus Doesborgh had hen niet zó geboeid. En dat waren toch ook onvergetelijke momenten geweest.

“Geen mensen, geen heiligen, allen het bloed van Jezus Christus reinigt ons van de zonden.”

Gosen Zeegers beleefde dit moment als iets geweldigs. Hij had Everhardus Doesborgh ook wel gehoord, maar toen was hij zoveel jonger. Hij had in Elburg preek willen horen. Nu deed hij dat in de eigen stad. En hoe! Dit kon toch maar in hun stad, ook al had Filips het verboden. Jawel, maar God moest men meer gehoorzaam zijn dan mensen.

Die avond waren er heel wat mensen in de taveerne Het Vergulde Hert. Gosen en Hinrich kwamen handen te kort. En er was geen huis in Harderwijk of er werd over het gebeurde gesproken, hetzij waarderend of met ergernis. Of onverschillig. De volgende morgen preekte Johan van de Linden nogmaals in de Broederkerk, zeer tot genoegen van de Harderwijker raadslieden.

’s Avonds ging hij scheep naar Nijkerk.

De schepenen hadden alle moeite gedaan, hem hier te houden. Zij hadden een beroep gedaan, doch Roodbaard weigerde.

“Wij zijn reizende predikers,”zei hij. “Ook elders moet Gods Woord worden gebracht. Het is niet goed dat op één plaats alleen te doen. Gij hebt het Woord gehoord. Volhardt in het geloof. Het zaad van het evangelie dient ook elders gezaaid.”

Zijn afscheidswoorden, toen hij weer in het schip ging, waren: “Hout dat ghy hebt op dat niemant u Crone en neme.”

De vroedschap deed hem uitgeleide en toen het schip zee koos, wuifden heren gezworenen het na en keerden dan terug tot hun bezigheid.

Gerrit Zeegers en Gosen staarden het schip na, alsof daarmee iets dierbaars van hen wegging. Het was of ze nóg niet konden geloven, dat Roodbaard werkelijk was vertrokken.

Toen het schip tenslotte achter het Ermelose palmbos verdween, keerde de visser zich om.

“Dit is een zware stonde, mijn zoon, zoals toen wij je moeder naar den hof brachten. Zo is ook eenmaal de apostel Paulus van die van Efeze vertrokken, nagestaard door hen, die hem liefhadden. Maar wij zullen niet treuren, doch dankbaar zijn voor wat de Heere ons heeft willen geven in moeder en in Roodbaard.”

Hij pinkte een traan weg en wendde zich om. Zwijgend keerden ze terug naar hun eenzame huis.

Maar zij waren niet meer eenzaam.

God schonk hen grote troost.

Einde hoofdstuk 9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *