Winteravondwandeling.

 

 

 

Winteravondwandeling

Van Elburg naar de nieuwe Dronther – sluis

Over de Zuiderzee en terug.

 

Wannneer mijnen lezers de wandeling, die wij onlangs naar het Blaauwe Kruis bij den Krimelhorst in Doornspijk gedaan hebben, niet ongevalig is geweest, zou ik wel lust hebben voor te slaan, om, in hun gezelschap, eene winterwandeling over het ijs, langs het Zuiderzeestrand, naar de Nieuwe Dronther – sluis te doen. Ik zal dan ten twee ure, als wanneer de schaatsenrijders, en ook gij, mijne vrienden, waarschijnlijk uw middagmaal zult genomen hebben, mij aan de Oude Haven bevinden, vanwaar de schaatsbaan, behoorlijk geveegd, zich op eenen afstand van omtrent twee uren aan ons oog vertoont.

Hoezeer de waarden eene effene, besneeuwde grasvlakte vertoonen, zoo gevoelen wij hier evenwel, bij eenen helderen winterdag, nog den gloed der vrolijke zonnestralen, en dewijl het nog te vroeg is om daar ginder gezelschap aan te treffen, zoo kunnen wij op ons gemak eene wandeling tot aan de Havenkom volbrengen, waar juist heden, door de schippersgasten, eene huwelijks – aankondiging plaats heeft, en ons daarna, enkel om op te merken, onder de menigte begeven.

Als wij de Haven rondwandelen, dan ontmoet ons oog, van den eenen afstand tot den anderen, driekleurige vlaggen, die op de scheepsmasten zijn opgeheschen en ook op de daken der beide molens prijken. Aldus kondigen de Elburger schippersgezellen de plaats hebbende huwelijken aan, en vinden hunne rekening zeer wél bij deze schitterende wijze om zoodanigen belangrijken dag luisterrijk te vieren. Uit erkentelijkheid voor dit deelnemend eerbewijs toch, bezorgt de bruidegom, op wien dit blijk van vereering betrekking heeft, aan de schippersgasten eenen vrolijken avond, door hun in ’t Havenhuis eenige tonnen bier en ook brandewijn te schenken.

Als dan de grijze wintervorst

Ook Elburg komt verrassen,

En spiegelvelden heeft gemaakt

Van zee en sloot en plassen.

 

Verlaat elk jongeling den haard,

Om vlug op ’t staal te zweven:

De stramme grijzen staan vernoegd

Te kijken en te beven.

 

De blijde jonkheid stoeit en speelt;

Geen eind aan ’t schaatsen binden,

Want ied’re maagd – verschuift haar voet –

Kan ras een helper vinden.

    Reeds trekken mannen met ledige ijssleden naar de baan, om voor het weldra aankomende gezelschap van dames den togt gemakkelijk te maken en haar met eene warme stoof naar de Sluis over te brengen.

Op de baan maakt zich de schipper, die, thans werkeloos, met verlangen den 2 Februarij ( of Vrouwendag ) afwacht, gereed, om al vliegende dit nieuwe spoor te bewandelen en in korten tijd eenen verren weg af te leggen; hij schijnt als het ware de vogelen te tarten in het spoedig klieven der lucht, terwijl hij in een oogenblik uit het gezigt verdwijnt en ter verlangde plaatse is. Welk een drift ziet men op de aangezigten der liefhebbers van deze verwonderlijke vliegkunst: als mieren dwarrelen zij door en onder elkander; eenige hunner, in ijs – schuiten met sneeuwwitte zeilen, ijlen over de gladde oppervlakte, te midden eener menigte van gevleugelde menschen, elk als in wedstrijd met zijnen mededinger. Van afstand tot afstand vinden wij eenige linnen tenten met houten rustbanken, tot gemak der wandelaren en der schaatsenrijders; zij doen zich reeds op grooten afstand kennen, door driekleurig of Oranje vlaggen, die er vóór geplaatst zijn, en door het geluid van een koehoorn, waarop van tijd tot tijd, door de tapper van warm bier en andere dranken, geblazen wordt.

 

Hoe rijdt en glijdt de vlugge stoet,

Met paard of slee op schaats te voet;

Hoe zit men onder Hollands vlag,

Te drinken in goedkoop gelag;

Wat handgedruk en armgeknel,

Wat zoet en zalig minnespel.

 

Ook de wandelaars worden door dit tooneel van leven en woeling aangetrokken; met genoegen zien zij het spel der schaatsen aan, vestigen het oog monsterend op de voorbij trekkenden, en sparen daarbij hunne opmerkingen niet; eindelijk wagen zij zich ook eens op het ijs en, na daaraan eenige malen tol betaald te hebben, of door de koude te zijn afgeschrikt, wenden zij hunne wandeling huiswaarts en betreuren al zuchtende den tijd, toen koude noch gladheid hen van het ijsvermaak konde terughouden.

De toer naar de Nieuwe sluis is aangenaam en vol afwisseling, en geen rijder behoeft te vreezen, der trouwelooze baan eene prooi te worden; want de zee is hier zoo ondiep, dat men er des zomers slechts tot aan de knieën doorwaadt. Slechts een half uur, en zij zijn er, begeerig om te rusten, of, tot afwisseling, eens bij den warmen haard te zitten, te rooken, en van het vocht te nuttigen, dat de kastelein der herberg met milde handen ( mits tegen betaling ) ronddient. Wanneer men hier onder de menigte behoort, levert het eene aardige schilderij op, die bonte mengeling van allerlei menschen en kleederdragten op te merken: Kamperveensche en Doornspijksche landlieden, gegoede burgers, dames en heeren, verdringen elkander in de propvolle vertrekken, terwijl hun, op bijzondere feestdagen, wel eens de stal en het gezelschap der koeijen als voegzame rustplaats wordt aangewezen; Maar alles geeft aanleiding tot scherts en gelach aan de opgewonden schaatsenrijders. Doch de avondwind begint kouder over de vlakte te waaijen en de zon verbergt zich achter de kimmen; het is tijd om huiswaarts te keeren. Met nieuwen lust wordt de overtogt ondernomen en de menigte verliest zich weldra in de nabij gelegene stad Elburg.

G.H.W.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *