De ontaarde Zoon

 

 

De ontaarde Zoon.

 

Het is een eenig genoegen van de beoefening der geschiedenis, dat men daarin somtijds trekken van reine deugd, menschlievendheid en zelfsopoffering vindt opgetekend, die ieder onbedorven gemoed diep bewegen; of ook mannen geschetst vindt, wier geaardheid en bedrijven hen tot een sieraad van hunnen tijd verhieven. De geschiedenis van ons vaderland is, Gode zij dank! Rijk in zulke trekken en in zulke karakters. Doch zoo nuttig het is, daarbij te verwijlen, zoo leerzaam kan het somtijds zijn, het lot der zedelijke wangedrochten na te gaan, waarvan ook ons vaderland er enkele heeft voortgebragt. Hun leven leert niet slechts, tot welk eene laagte de mensch zinken kan, die alleen aan de stem zijner woeste driften gehoor geeft; het verkondigt tevens de groote waarheid, dat er een regtvaardig God is, die de wereld regeert, en het kwade niet zelden reeds op aarde straft. Zulk een afschrikwekkend voorbeeld is in de volgende geschiedenis vervat.

In het midden der vijftiende eeuw regeerde Aarnout als Hertog van Gelderland, dat toen een veel uitgestrekter gewest was, dan thans. Het was een tijd, waarin ons vaderland en de naburige rijken door allerlei binnenlandsche oorlogen verscheurd werden; een tijd van algemeene beroering en verwarring. Hertog Aarnout, die gedurende zijne veertigjarige regering insgelijks in menigen oorlog gewikkeld was geworden, had daardoor zijne geldmiddelen uitgeput, en aan zijne onderdanen lasten moeten opleggen, die hun moeijelijk te dragen vielen en zelfs tot opstand aanzetteden. Die opstand zou echter gemakkelijk te dempen zijn geweest, indien de bewerkers daarvan niet eenen steun hadden gevonden in den eigen zoon van hunnen Vorst, in Hertog Adolph, wiens hart van Heerschzucht gloeide, maar voor alle andere en betere gevoelens gesloten scheen. Deze woeste jongeling vergat zich zelven en zijne kinderlijke pligten zoo zeer, dat hij zijnen reeds grijzen vader openlijk beoorloogde, en dezen dwong gewapend tegen hem op te trekken. Ditmaal zegevierde Hertog Aarnout; hij maakte zich ( in 1458) na een kort beleg, meester van de stad Venlo, waarin zijn zoon met een deel der misnoegden eene schuilplaats had gevonden; en de diep gevallen jongeling moest als een gevangene voor zijnen vader verschijnen. De zwaar beleedigde grijsaard bezat, volgens alle Goddelijke en menschelijke wetten, het regt, om zijnen zoon voor diens misdrijf, met het leven te doen boeten; maar hij was zachtmoedig van aard, schonk aan Adolph volkomene vergiffenis, en verlangde niets van hem, dan de belofte, van zich nooit weder in dergelijke oproerige aanslagen te mengen. De jonge Hertog beloofde alles, toonde schijnbaar berouw, en haastte zich, om eenen bedevaartstogt naar Jeruzalem aan te vangen. Het verblijf in het heilige land had, evenmin als het grootmoedig gedrag zijns vaders, eenige heilzame uitwerking op Adolph’s gemoed. Na zijnen terugkeer heulde hij dadelijk weder met de misnoegde grooten, en scheen hij er zelfs op toe te leggen, om zijnen vader gedurig te tergen; zoo dat er opnieuw eene verwijdering tusschen de beide Vorsten ontstond, die tot op het einde van 1466 voortduurde. Toen begon Hertog Adolph eensklaps begeerte te laten blijken, om zich met zijnen vader te verzoenen. Deze, niet kunnende vermoeden, dat onder dit voorstel het afschuwelijkste verraad verborgen was, toonde zich tot die verzoening bereid, en noodigde Adolph uit, om het kerstfeest op zijn kasteel van Grave, alwaar hij zich destijds onthield, te komen vieren. Adolph kwam, huichelde onderwerping jegens zijnen grijzen vader, en nam een ijverig deel aan de vermakelijkheden en feesten, waarmede de op het kasteel verzamelde ridderschap den tijd sleet. Intusschen had hij in het geheim een deel zijner aanhangers in den omtrek van het kasteel verzameld, anderen op hetzelve in zijn belang overgehaald, en alles voor zijnen helschen aanslag gereed gemaakt. In de eerste dagen van Januarij begon het hard te vriezen, zoodat de grachten rondom het kasteel geheel met ijs werden bezet. In zulk een woeligen tijd moest men steeds maatregelen nemen, om zich tegen alle verrassingen te beveiligen, en Hertog Aarnout beval dus, om het ijs in de grachten te doen opbijten, waardoor het kasteel enkel langs de goed bewaakte ophaalbrug genaakbaar werd. Terwijl men daarmede bezig was, verzocht Adolph, dat men een gedeelte van het ijs ongebroken mogt laten, opdat hij zich met de jeugdige ridders en juffers te beter met schaatsenrijden zou kunnen vermaken. De onergdenkende vader stond dit verzoek toe. Dien avond werd er weder een feest op het kasteel gegeven. Hertog Aarnout, wiens jaren hem voor de woelige, luidruchtige vermaken der jeugd ongeschikt maakten, begaf zich vroegtijdig ter ruste; doch naauwelijks lag hij in zijnen eerste slaap, of hij werd op eene vreesselijke wijze gewekt. Eenige knegten drongen met uitgetogen zwaard in zijn slaapvertrek binnen; hetwelk door de fakkels, die zij met zich voerden, eensklaps sterk verlicht werd. De oude Vorst rijst verschrikt op, verbeeldt zich in zijne eerste verwarring, dat het kasteel door den vijand overrompeld is, en roept met forsche stem: “Waar is mijn zoon?” Zoo sterk sprak bij hem de liefde voor eenen ontaarden telg, dat hij bij eigen lijfsgevaar, het eerst aan dezen dacht! Geen der binnengedrongene mannen gaf eenig antwoord; maar zij naderden steeds meer het ledikant van den Vorst, en nu bemerkte deze, tot zijne ontzetting, dat zijn eigen zoon zich aan het hoofd der bende bevindt. “Zoon, wat wilt gij?” vraagt hij thans, snikkende op eenen toon, die de woeste krijgsknegten door het hart sneed. Maar Adolph, door zijne toomelooze heerschzucht verbijsterd en verblind, was ongevoeliger dan zij. “Mijn vader,” antwoord hij, “gij moet u gevangen geven; volg mij zonder dralen!”- Bevende van verontwaardiging en schrik, stapte Aarnout uit het ledikant. Men gunde hem de tijd niet, om zich aan te kleeden. Half naakt, midden in de nacht, en bij het nijpen eene felle koude, sleurde men hem over dat ijs, hetwelk de zoon verzocht had ongebroken te laten. Aan de overzijde der Maas gekomen, werd de grijsaard op een paard gezet, en door eenen drom ruiters omringd, spoorslag naar het kasteel van Buren gevoerd. Daar werd hij, de wettige heer van het land, tot overmaat van schandelijkheid, in eene gevangenis opgesloten, en op last van Adolph streng bewaakt.

Zoodra deze gruweldaad elders bekend werd, wekte zij overal de diepste verontwaardiging op; uitgenomen alleen bij die Gelderschen, die tot de partij der misnoegden behoorden. Door staatkundige partijschap verblind, huldigde dezen Adolph als Vorst; dulden het, bevelen te ontvangen van iemand, die de edelste menschelijke gevoelens willekeurig had verstikt, en sleepten langzamerhand de meeste Geldersche grooten en steden mede in den afval van hunnen wettigen heer. Bijna alle naburige Vorsten zagen het zes jaren lang lijdelijk aan, dat de grijze Aarnout in zijne gevangenis versmachtte, terwijl zijn zoon zich in zijn aangematigd gezag staande hield, en Adolph plukte dus, voor het oog der wereld, alle vruchten van zijne euveldaad. Voor het oog der wereld zeggen wij; want er is geen twijfel aan, dat in zijn binnenste nu en dan het beeld van zijnen mishandelden vader dreigend oprees, en dat zijn geweten hem folterde en alle rust benam. Men vindt opgetekend, dat hij, drie jaren na de gevangenneming van zijnen vader, op een, oogenblik, dat hij aan de benden van den Hertog van Kleef, die hem wegens zijne slechte handelswijze, den oorlog had verklaard, slag moest leveren, eene zeldzame onrust deed blijken, ten aanhooren van de hem omringende grooten, God tot getuige nam, dat hij slechts tot welzijn van den Staat zijnen vader gevangen hield, en de gelofte aflegde, van dezen in vrijheid te zullen stellen, indien hij de overwinning behalen mogt. De benden van den Kleefschen Hertog werden werkelijk door hem verslagen; maar nu zijne oogenblikkelijke benaauwdheid voorbij was, sloeg hij zijne gelofte in den wind, en spotte, als ’t ware, met de regtvaardigheid des Allerhoogsten.

Het oogenblik der straf naderde intusschen ongemerkt, maar zeker. De Hertog van Bourgondie, Karel de Stoute, wiens rijk uit het meerendeel der Nederlandsche gewesten, alsmede uit een deel van het tegenwoordige Frankrijk en Duitschland bestond, en die wegens zijnen krijgshaftigen aard overal gevreesd werd, mengde zich in het geschil, en vorderde, dat Adolph zijne gelofte gestand deed. Hij werd de middelijke oorzaak, dat een Vorst, die de heiligste gevoelens der natuur ligtvaardiglijk vertrapt had, op zijne beurt eenige jaren lang in eene gevangenis versmachtte, en een jammerlijk uiteinde vond.

Bij eens volgende gelegenheid zullen wij meerdere bijzonderheden wegens deze laatste levensjaren van Hertog Adolph verhalen.

XXXX.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *