De stad Harderwijk.

 

De Stad Harderwijk.

 

Wanneer een hollandsch reiziger over Amersfoort en Nijkerk naar Zwolle reist, vindt hij daar waar de straatweg de Zuiderzee raakt, de oude en eenmaal zoo rijke en aanzienlijke stad Harderwijk, thans de tweede van het Geldersche arrondissement Arnhem.

De oorsprong dezer plaats ligt in het duister. Waarschijnlijk dankt zij hare stichting aan hare gunstige ligging op een eenigzins verheven grond, ten opzigte der vroegere laag gelegene landen langs het meer Flevo. Dit meer, bij elken hoogen waterstand der rivieren, de omgelegene streken onder water zettende, noodzaakte de oeverbewoners, om bij iedere overstrooming hun land te verlaten en op den hoogen zandgrond een veilig toevlugtsoord te zoeken. Van hier zal Harderwijk ook welligt zijnen naam ontleend hebben; immers in eenen brief van den jare 1312 vinden wij de stad Herderwijc genoemd.

Graaf Otto II, Harderwijk in 1229 hebbende laten bemuren, schonk het in 1231 eenige voorregten, welke privilegiën door graaf Reinald I in 1312 onder eenige bepalingen vernieuwd werd. Zoo bedong de graaf dat de ingezetenen hem, wanneer hij zich te Harderwijk bevond, elken vrijdag van eenen schotel goeden visch zouden voorzien, en indien hij hier langer dan twee dagen vertoefde, zij het zijne stallingen niet aan paardenvoeder en stroo moesten laten ontbreken.

Inmiddels was de plaats reeds door den koophandel tot eenig aanzien opgeklommen. Vóór 1280 bezochten de Harderwijkers reeds de kusten der Oostzee, want in dat jaar ontstond er tusschen de schippers van deze stad die derwaarts voeren, en de handelaren van Hamburg een ernstig verschil over het koopen van granen. Daar deze oneenigheid door bloedige geweldadigheden gevolgd werden, traden de schepenen van Deventer, Kampen en Zwolle als scheidslieden op en bragten de vrede eerlang tot stand. Bij denzelven werd aan die van Harderwijk opgelegd, om aan de Hamburgers 200 mark, ieder van 10 schellingen, als schadevergoeding te betalen. Verder zouden de wederzijdsche gevangenen en genomene goederen ontslagen en teruggegeven worden, en bij alle toekomstige voorvallen ieder schipper voor de misdrijven van zijn scheepsvolk verantwoordelijk zijn. Elf jaren later en derhalve in het jaar 1291 werd aan de Harderwijkers en Elburgers door den Hollandschen graaf Floris V vrijgeleide door zijn graafschap verleend, en in het begin van het jaar 1300 werd dit voorregt ter hunner gunste door graaf Jan I bevestigd en uitgebreid. Ook werdte dezen tijde het handelsverkeer tusschen het land van Gelre met Friesland, Oost- Friesland, Engeland en inzonderheid met Denemarken en Zweden door Harderwijksche zeelieden tot eene aanzienlijke hoogte gebragt, terwijl de wolweverijen benevens de blaauw- en groenweverijen binnen deze stad zelfs eenen buitenlandsche roem genoten. Nog werd in dit tijdperk eene commanderij der ridderorde van st. Jan op het naburige Heerenloo gevestigd.

In de rampen, ontstaan door de twisten tusschen Reinald I en zijnen zoon, later onder den naam van Reinald II bekend, moet ook Harderwijk gedeeld hebben: immers bij een vergelijk op den 22 Januarij 1320 werd overeengekomen, dat heer Boudekijn van Averzaet aan Gerhard van Rossum en de ingezetenen van Harderwijk 700 pond zoude uitbetalen, dewijl hij hun goederen genomen had. De regten van Harderwijk werden door hertog Reinald III op den 6 Januarij 1348 aanmerkelijk uitgebreid, verleenende hij op dien dag aan deze stad de meer uitmuntende regten en vrijheden, welke Zutphen reeds vroeger had genoten. Voor dit gunstbewijs ontving de hertog 2500 pond kleine penningen; terwijl de stad daarenboven nog in datzelfde jaar hem tot eenen borg voor 1227 pond, welke de hertog van heer Arend van Keppel had opgenomen.

Na den dood van hertog Reinald III ( 1371), stelde Harderwijk zich al spoedig onder het bewind van Willem van Gulik, van wien de stad vrijdom van tol verkreeg op eenen zoo uitgebreiden voet, als de meest bevoorregte plaats des lands te dezer zake genoot. Deze voorspoed werd echter spoedig daarop gevolgd van eene belegering, waardoor zij in handen der Herekens viel ( 1372), die de omliggende landen verwoestten en de boeren uitplunderden. Eerst op den 24 December 1374 bekwam de stad, na hertogin Mechteld als landvorstin gehuldigd te hebben, van haar de bevestiging harer vrijheden en voorregten, maar zij moest het tegen de hertogin en haren echtgenoot, den graaf van Blois, gepleegd verzuim boeten met eene aanmerkelijke som dadelijk uitbetalen, en nog 14,000 oude schilden belooven uit de opbrengst der accijnsen, alsmede met de verbanning van zes harer burgeren, hiertoe door de Hertogin aangewezen.

Bisschop Arnold van Hoorne, gedurende den nu geëindigde tweespalt de partij van vrouwe Mechteld met raad en daad ondersteund hebbende, bedong in het jaar 1375 voor zijne moeite en kosten 25,000 oude schilden, waarvoor Mechteld hem Harderwijk nevens Elburg, Hattem en omliggende dorpen verpandde. In, of kort voor 1378, keerde Harderwijk tot Gelre terug, daarbij hertog Willem van Gulik als wettige landsheer erkennende.

Op den 28 Mei 1438 werd Harderwijk eene minnelijke overeenkomst gesloten tusschen eenige Hollandsche steden ter eene, en Deventer en Kampen ter andere zijde, waardoor, ten minste gedurende eenige maanden, de vijandelijkheden op de Zuiderzee gestaakt werden.

In den oorlog welke Maximiliaan van Oostenrijk in 1480 en vervolgens tegen de landen van Gelre en Zutphen voerde, leden de Harderwijkers veel, alzoo er verscheidene van hunne schepen genomen werden. In het jaar 1503 werd deze stad, op weinige huizen na, eene prooi der vlammen, en in 1505 door Phillips van Bourgondië veroverd. Hertog Karel belegerde haar in 1507 te vergeefs, doch in 1511 viel zij hem echter in handen. Hij dempte er in 1518 eene oneenigheid die tusschen den raad en de gemeente ontstaan was, en rustte er kapers uit die op de Zuiderzee schuimden en aan Holland en het Sticht veel onheil berokkenden.

Na de verovering en bezetting van Hattem en Elburg in 1528 door het Bourgondische leger, wendde de vijand zich naar Harderwijk en wierp eerlang, zoowel op het zeestrand als meer landinwaarts in, verschansingen tegen de stad op. Reeds op den 28 Junij begon het gebulder des geschuts zich onverpoosd te doen hooren. De muren, door een allerverschrikkelijks kanonvuur op vier hoeken gebeukt, werden reddeloos gehavend. Het Bourgondische leger stond gereed om over de met puin gevulde gracht de bressen te bestormen, toen de raad eene zamenkomst verzocht, en aanbood, de stad over te geven op gelijke voorwaarden als aan Hasselt onlangs waren toegestaan. Dit aanbod door den graaf van Buren, opperbevelhebber van het Bourgondische leger, afgelagen zijnde, werd door een verdubbeld vuur van achter de verschansingen beantwoord, zodat de magistraat, geen uitzicht meer op redding of ontzet hebbende, eenige der voornaamste inwoners naar den vijand zond om de stad op ’s veldheers genade over te geven. Den Gelderschen soldaten werd het vergund om ongewapend, naar krijgsgebruik met stokjes in de hand, als gevangenen uit te trekken; waarop de graaf Harderwijk in bezit nam en er in ’s keizers naam werd gehuldigd. Nog in hetzelfde jaar werd de stad wederom bij verdrag aan hertog Karel van Gelder teruggegeven.

Harderwijk begroette nevens de andere Geldersche steden, in het jaar 1543, keizer Karel V als hertog, en gaf zich in het jaar 1572 aan Graaf Willem van den Berg over, die haar echter kort daarna wederom verliet en aan de Spanjaarden inruimde. Deze, haar eerlang verlaten hebbende, gaven daardoor zelve aanleiding, dat de stad sedert aan de staatsche zijde verbleef. Wel poogde graaf Hendrik van den Berg haar in het jaar 1629 te heroveren, doch zijne aanslag mislukte.

In Junij 1672 werd Harderwijk aan de Franschen overgegeven, die haar, na vele verwoestingen aangerigt te hebben, in het volgende jaar weder verlieten. Het ontbrak gedurende de 18de eeuw ook in Harderwijk geenszins aan tooneelen van volksgisting, opschudding en verwarring, welke de republiek der vereenigde Nederlanden, helaas! destijds en inzonderheid in 1702, 1747 en van 1784 tot 1787 zoo menigvuldig opleverde.

Het aantal inwoners bestond op den 1 Januarij 1840 uit 5,538 personen, verdeeld in 4,835 Protestanten, 616 Roomsch – Katholieken, 54 Israëlieten en 33 van geene genoemde gezindheid, en te zamengesteld uit 2866 mannelijke en 2672 vrouwelijke personen.

De ingezetenen bestaan deels van het verblijf der troepen bestemd voor de koloniën, deels door de visscherij, de bokkingrookerijen, den land- en tuinbouw, den hout, schors- en graanhandel, eene katoenweverij en eenige bandteeringen.

Harderwijk heeft eene haven, omtrent de jare 1650 aangelegd, vijf poorten, waaronder de Hoogebrugpoort, een zwaar en merkwaardig gebouw, op onze houtsnede zeer ligtelijk is te onderkennen, twee markten, een raadhuis, verscheidenen militaire gebouwen, eene hervormde en eene R.K. kerk, eene synagoge, een hervormd diaconie – weeshuis, een gymnasium, een departement der maatschappij: Tot Nut van ’t Algemeen, hetwelk 28 leden telt, en  eenige inrigtingen voor het lager onderwijs.

Het raadhuis, aan de ruime markt, is meermalen herbouwd en was weleer onderscheiden in een raadhuis, een regthuis en een stadswijnhuis. Dan in 1726 besloot de raad het wijnhuis tot eene raadkamer te maken, wordende de kosten der herbouwing door de magistraat, zonder de burgerij of de stad daarmede te bezwaren, uit eigene middelen gedragen. In 1837 werd dit gesticht aanmerkelijk verbouwd, zoodat van het oude raadhuis niets behouden bleef dan de muren en de antieke vergaderzaal.

Onder de militaire gebouwen verdient inzonderheid de kazerne in het voormalige muntgebouw genoemd te worden. Het is een grootsch en fraai verblijf, oorspronkelijk tot een klooster der Graauwe Zusteren aangelegd. Treurig is de aanblik, hier zoo vele jongelieden bijeen te zien die, vaak uit aanzienlijke familiën voortgesproten, hunne dwaasheden moeten boeten met de bezwaren van het oorlogsleven in eene heete luchtstreek onder enkel vreemde menschen.

De kerk te Harderwijk stond weleer buiten de Luttekenpoort en was aan de H. Nicolaas toegewijd. Doch toen deze kerk in den jare 1415 was afgebrand, besloot men eene nieuwe kerk binnen de stad te stichten, die aan de bijzondere bescherming der H. Moedermmagd en van st. Maarten werd opgedragen. Tot in het laatste der vorige eeuw prijkte deze kerk met eene hoogen dikken toren zonder spits die echter in 1797 geheel is ingestort en daardoor veel schade aan de kerk heeft veroorzaakt. Deze ramp werd echter door de weldadigheid der edele gezusters Westerveld eenigzins geleenigd, daar de toegebragte schade voornamelijk door hare bemoeijingen werd hersteld. In het jaar 1838 werden er eenige nieuwe kerkkamers bijgebouwd.

De r.k. kerk is aan st. Martinus gewijd, en de synagoge in het begin van 1840 plegtig geopend.

Het Nassausch Veluwsch Gymnasium, volgens een opschrift reeds in het jaar 1372 voor eene school tot het geven eener geleerde opvoeding ingerigt en in het jaar 1441 meer dan 300 leerlingen tellende, is in het jaar 1540, nadat het gebouw door den brand van 1503 was vernietigd, wederom door de Staten van het Veluwsch Kwartier hersteld. In het jaar 1603 kreeg de geleerde stichting van prins Maurits van Nassau den titel van doorluchtige school, en werd sedert de nassausche school genoemd. Het gebouw werd in 1729 van binnen en van buiten aanmerkelijk verfraaid. Daarin genieten thans ongeveer 20 leerlingen onderwijs in de Latijnsche taal, de meetkunde en andere wetenschappen.

Weleer was ook te Harderwijk eene hoogeschool waaraan geleerden als Scheidius, Kemper, Reuvens en Clarisse leeraarden. Reeds in het jaar 1600 door de Staten des  Veluwschen Kwartiers opgerigt, werd zij in 1647 door de Geldersche Staten tot eene Provinciale Akademie verheven. Na eene langdurige kwijning, veroorzaakt door den onwil des Kwartiers van Nijmegen om in de kosten tot haar onderhoud te helpen dragen, werd haar in 1692, door toedoen van Koning Willem, een nieuw leven gegeven. De vereeniging van ons land met Frankrijk bragt haar ten ondergang, daar zij in 1812 vernietigd werd. Zij werd in 1815 wel als atheneum tot een nieuw leven geroepen, doch is in 1818 wegens het gering gebruik, dat men van de lessen maakte, weder opgeheven.

Onder de merkwaardige personen welke hier het eerste levenslicht aanschouwden, telt men P. Guinellus, G. Voet, E. Brink, J.P. van Medenbach Wakker en G. Altius.

Tot het gebied der stad Harderwijk behoort het dorp Hierden, reeds in eenen brief van 1231 genoemd, en in 1658 met eene school en in 1741 met eene netten hervormde kerk begiftigd.

  1. Hollandsch Penning Magazijn voor de Jeugd.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *