Friezen. – Zwarte Hoop. – Geldersche Friezen. – Groote Pier.

 

 

Losse Bladen Uit De Geschiedenis Des Vaderlands.

Friezen. – Zwarte Hoop. – Geldersche Friezen. – Groote Pier.

 

Friezen.

 

’t Verslindend oorlogsvuur, door staatszucht aangestoken,

Verhief zich in hun land; de stad werd omgekeerd;

De moord liep langs de ontvolkte straten.

Fabelen van E. Wolff en A. Deken.

 

Eeuwen lang hebben de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht vruchteloze pogingen gedaan om de vrijheidminnende Friezen aan hun gezag te onderwerpen. Vrij mogt de Keizer, wiens oppergezag zij in naam erkenden, hun land als leen schenken, nu aan dezen, dan aan genen; spottende met deze daad van oppermagt, sloten de zeven vrije Friesche Zeelanden, die zich van de Rekere bij Alkmaar tot aan de rivier de Wezer uitstekten, een verbond ter wering van vreemde heerschappij; en hebben de Hollandsche graven ook enkele keeren, door overmagt van wapenen, op Friesche bodem post gevat, spoedig werden zij weder ten lande uitgedreven. West- Friesland alleen, door de verwijding des Fliestrooms gescheiden van dee overige Zeelanden, werd na drie eeuwen strijden in 1297 onderworpen, en Stavoren, verlokt door handelsprivilegiën, die deze stad deden bloeien, huldigde van tijd tot tijd de Hollandsche graven; maar deze lieten eene halve eeuw lang het overige Friesland ongemoeid, sedert Willem IV en een aantal zijner edelen er in 1345 den dood vonden.

Ten gevolge der kruistochten, waaraan de dappere en onversaagde Friezen, in de dertiende eeuw, ijverig hadden deel genomen, begonnen kunsten en wetenschappen kennis, verlichting en beschaving onder het volk te verspreiden. Maar te midden dezer zegeningen vertoonden zich aan den gezigteinder van Friesche staatkundigen hemel verschijnselen, die veel kwaads aan dit gewest voorspelden. De beperkte invloed der Protestaten, zoo als zij worden genoemd, aan wie de Friezen van tijd tot tijd, het opperbewind toevertrouwden, worstelde tegen de heerschzuchtige aanmatigingen der aanzienlijke geslachten, het onderlinge twistvuur der edelen, op hunne stinzen met wet en regt den spot drijvende, en vooral de rampzalige partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers, meer dan vijftig jaren moord, roof en plundering over Friesland verspreidende, – dit alles belemmerde den bloei des lands, deed de welvaart der steden afnemen, en zelfs ten laatste de vrijheid des volks verdwijnen.

Daar Friesland van het Duitsche keizerrijk afhankelijk was, besloot Maximiliaan ( Aartshertog van Oostenrijk, zoon van Keizer Frederik III, huwde in 1447 met Gravin van Bourgondië, en oefende na den dood zijner gemalin ( 1482), gedurende de minderjarigheid van zijnen zoon Philips II, door wien het Grafelijk bestuur uit het Bourgondische huis in dat van Oostenrijk overging, hier te lande het bewind uit.

    Toen Philips II in het jaar 1506 te Burgos was overleden, trad Maximiliaan andermaal als voogd op voor zijnen kleinzoon Karel II, naderhand meer bekend als Duitsche Keizer onder den naam van Karel V ). op het einde der 15de eeuw aan deze binnenlandsche woelingen een einde te maken, de verwoestende veten te doen eindigen, en, ware het mogelijk, aan het geschokte land den vrede en de rust te hergeven. Hij vestigde ten dien einde het allereerst zijne aandacht op de wijze en den vorm der regering des lands, en oordeelde het in de bestaande omstandigheden van veel belang te zijn. Friesland onder één bestuur te brengen. Hij stelde dien ten gevolge den Friezen voor, om uit hun eigen volk een regtschapen en geschikt man met de waardigheid van Potestaat te bekleeden. Juw Dekema, uit een der aanzienlijkste Friesche geslachten gesproten, werd hiertoe, voornamelijk met goedkeuring der Schieringers, verkozen; doch ras bleek het, dat de partijwoede in het karakter der Friezen te diepe wortelen geschoten had, om de zegeningen van vrede en orde, zoo onschatbaar voor een volk, te waarderen. Oneenigheden en tweespalt achtervolgden de benoeming van Juw Dekema. De Medusa van tweedragt scheen uit landpalen niet verbannen te kunnen worden; voor het vergift van haren verpestenden adem en voor de misleiding van hare slangentong scheen het volk zich niet te kunnen bewaren, en welhaast zag men het gemeen, door de grooten tot werktuig gebruikt, alomme verwoesting op verwoesting aanrigten.

    Maximiliaan ( was na het overlijden zijns vader, Frederik III, in 1492 tot Duitsch Keizer verheven), aldus in zijne bedoeling teleurgesteld, besloot nu tot een meer krachtig middel over te gaan, om aan de stormen der partijwoede, die Friesland steeds beroerden en op zijne grondvesten schokten, een einde te maken. Albrecht, Hertog van Saksen, bloedverwant van Maximiliaan en een man van vaste wil, streng karakter, erkende moed en groote militair bekwaamheden, de bedwinger van het Kaas- en Broodvolk en de overwinnaar der Hoekschen, die hij uit hunne laatste schuilplaats, Sluis in Vlaanderen, verdreven had, werd, ter beloning zijner trouwe diensten, door Maximiliaan tot erfpotestaat over Friesland aangesteld, en in 1498 door de Schieringers in Westergo en door de Vetkoopers in Oostergo als zoodanig gehuldigd.

Zoo was dan het verwaarloozen der burgerpligten hier weder, gelijk altoos, eene der voornaamste oorzaken, waardoor Friesland zijnen luister verloor, zijnen bloei zag verwelken, en, van het toppunt van voorspoed tot den laagsten trap van vernedering gedaald, onder een vreems bestuur ellende en wreedheid moest verduren, afschuwelijker dan de menschheid mogelijk acht.

Met klem en nadruk handhaafde Albrecht zijn toevertrouwd gezag onder de Friezen, en deed zich weldra als een hard gebieder kennen. In eenen opstand tegen zijnen zoon Hendrik, aan wien hij bij eenen reis naar duitschland het bestuur in Friesland had opgedragen, uit hoofde van zware belastingen ontstaan, werd de jongeling in Franeker belegerd; doch spoedig snelde zijn vader, om zijne dapperheid en krijgskunde de Duitsche Achilles genoemd, met een leger ter hulp, ontzette zijnen zoon, en nam eene geduchte wraak over de geweldige wijze, waarop de Friezen Hendrik behandeld hadden. De steden moesten al hare wapenen overgeven en afstand doen van hare vrijheden, en de muitelingen barrevoets en knielend hem om vergiffenis smeeken; terwijl eenigen de hoofden van hen, die de bannier des opstands hadden omhoog gestoken, op Turksche wijze gespietst werden.

Zulk eene wreedheid, die alle palen te buiten ging, sloeg de Friezen met een algemeenen schrik, maar was geenszins in staat de gemoederen te bevredigen, en van daar dat de haat tegen den wraakgierigen Sakser hand over hand toenam. Albrecht, die hierop Groningen belegerde, hetwelk zich in de armen van zijn ouden landsheer, den Bisschop van Utrecht, geworpen en zich daardoor insgelijks tegen hem verzet had, werd gedurende het beleg ziek, en overleed spoedig daarna (1500) binnen Emden, waardoor de belegering werd opgeheven.

Na Albrecht’s dood bestuurde eerst zijn zoon Hendrik, en sedert 1504 diens broeder George of Joris van Saksen, Friesland, die dit gewest van Hendrik gekocht had. Welk eene vernedering voor een volk, dat nog in 1323 onder den geheiligden zoogenaamden Opstalboom ( in Oost- Friesland, bij Aurich) eene algemeene volksvergadering hield, en toen het verbond bekrachtigde tot het beschermen, eenparig en gewapenderhand, van zijne vrijheid tegen elk, wie hij zijn mogt, het zij wereldlijk of geestelijk vorst, die den Fries het juk der dienstbaarheid op den hals wilde leggen.

Ofschoon Joris, als bewindsman, nu meer dan zijne voorgangers zich beijverde om door veelvuldige verbeteringen de liefde der landzaten te verwerven, zoo bleven de Friezen, alles wat den naam van Sakser droeg hatende, daarvoor onverschillig en ongevoelig, waarvan het gevolg was, dat Joris in het bestuur des lands een tegenzin kreeg: te meer, daar Graaf Edzard van Oost- Friesland, in schijn zijn vriend, hem onwaardiglijk had bedrogen en zich als Heer van Groningen had laten huldigen. Ook hadden de Friezen zich thans om hulp gewend tot Karel, Hertog van Gelder, die haar verleende, en, door eene landing in Friesland, den Sakser bestookte. Spoedig blaakte het verslindend oorlogsvuur nu van alle kanten: verscheidene steden werden door de Gelderschen in bezit genomen, de Sakser alom verdreven, en reeds in 1514 was het zuidelijke deel van Friesland geheel voor Joris verloren, en in handen van den zegevierenden Gelderschman.

Dus stonden de zaken in 1515, toen de moed van Joris zakte, en hij besloot zijn regt op Friesland aan den jongen Karel van Oostenrijk, naderhand als Keizer van Duitschland onder den naam van Karel V bekend, voor 350.000 Reinsche guldens over te dragen. Deze afstand werd aangenomen, en dit zoo rijke gewest, andermaal verkocht, moest nu den gebieder der meeste Nederlanders als zijne heer ontvangen.

Maar hierdoor was de rust in Friesland nog niet hersteld: Groningen en de Ommelanden, benevens een gedeelte van Friesland, bleven den oorlogzuchtigen Hertog van Gelder, den verklaarden vijand van het Bourgondische en Oostenrijksche huis, getrouw, en hirdoor barste er de vlam des opstands bestendig tegen Karel V weder uit, wien het niet vóór 1524 gelukte Friesland geheel en al aan de Gelderschen te ontweldigen, terwijl er bovendien de grootste ongeregeldheden gepleegd werden door den

 

Zwarten Hoop.

 

Deze bende huurlingen, tot de Duitsche krijgsmagt van Joris in Friesland behoorende, had zich na den dood van den Hertog van Brunswijk, één der Saksische bevelhebbers, ten teeken van rouw in het zwart laken gekleed, en van daar de naamsoorsprong van Zwarte Hoop.

Na het vertrek van Hertog Joris naar Duitschland trok deze Saksische bende, aan zichzelve overgelaten en van niemand geld ontvangende, als een woest gedierte, tuk op roof, het land door, van Friesland tot Holland, en van daar weder tot Friesland, alles met plundering, brandstichting en moord teisterende.

Een gedeelte van deze dolzinnigen begaf zich ten jare 1517 in dienst van den Hertog van Gelder. Deventer was de vereeniggingsplaats, waar genoemde Hertog den Zwarte Hoop van eenig geld voorzag, en naar Friesland zond, om Dokkum te belegeren, hetgeen dan ook geschiedde, en welke stad na veel moeite werd ingenomen. Van hier vertrokken deze Saksers, in magt versterkt door de wraakgierige Geldersche Friezen, naar den Lemmer, van waar zij den 24sten Junij 1517 naar West- Friesland, met omtrent 150 zoo groote als kleine schepen, en in alles tusschen de 3 en 4000 man sterk, overstaken. Aan den stouten en onversaagden Fries, den Langen of Grooten Pier, bondgenoot van Karel van Gelder en voornaamste zeeoverste der Geldersche Friezen, was het bevel dier vloot opgedragen, terwijl de oversten Selbach en Goldsteyn aan het hoofd der krijgslieden stonden.

Hendrik van Nassau, stadhouder over Holland van Graaf Karel II, met regt beducht voor eenen inval der Geldersche Friezen in het noorder- kwartier, liet op de Zuiderzee eenige schepen verzamelen, ten einde op den vijand een wakend oog te houden, en overal garnizoen leggen; onder anderen bekwam Medemblik ééne compagnie onder Graaf Felix; doch ondanks al deze voorzorgen gelukte het Grooten Pier het krijgsvolk voor Medenblik aan land te zetten.

In den morgenstond van donderdag den 25sten Junij des genoemden jaars overvielen zij de stad, en namen haar stormenderhand in, alhoewel de bezetting, ondersteund door de burgers, den hardnekkigsten tegenstand bood, en velen er van den heldendood stierven. Toen echter de toestand der besprongenen, wegens het dunne hunner strijdbare manschappen, van oogenblik tot oogenblik hagchelijker werd, zocht elk ten laatste een goed heenkomen. Sommige reddeden zich op het slot, anderen vlugten de stad uit, en velen verscholen zich in de huizen; maar zij werden daar opgezocht en gevangen genomen en niet ontslagen dan na betaling eener groote som gelds. Nu sloeg men aan het plunderen; het wraakzwaard des bloeddorstigen vijands bedekte de straten met lijken, de stad werd in asch gelegd, en slechts het slot, dat wegens dapperheid van zijnen bevelhebber Joost van Buren niet bemagtigd werd, ontkwam aan de algemeene vuurvlam. Groot was ook, zegt men, het verlies, dat medemblik hierdoor aan zijne aloude handvesten, brieven, enz. leed, en vooral aan die, waaruit men scheen te kunnen bewijzen, dat het eens de koninklijke woonplaats van der Friezen vorst Radbodus of Radboud geweest zou zijn.

Nog dien zelfden dag verlieten zij de uitgemoorde stad, verbrandden eerst Opperdoes en daarna Twisk, verschoonende Midwoud, op voorbede van den pastoor, die hun daarvoor een rantsoen van ƒ150 toetelde, alzoo in het geheele dorp zooveel geld niet te vinden was. Vervolgens gingen zij den Zwaagdijk op, lieten Hoorn, dat zich bij tijds gewapend had, links liggen, trokken door Berkhout, Avenhorn, Ursem en langs den Huigendijk, tot voor de stad Alkmaar, op hunne weg alles doodslaande, roovende en verbrandende, wat hen voorkwam.

Nog op den avond van dien voor West- Friesland zoo noodlottigen 25sten Junij tastten zij tusschen 10 en 11 ure Alkmaar aan, en vermeesterden het bijna zonder tegenstand, alzoo de burgers, door schrik bevangen, zich weinig of niet tot verdediging hunner aloude vest hadden voorbereid. Verbazend groot was de buit, dien zij hier vonden, bestaande in geld, goud, zilver, kleinooden en juweelen, mitsgaders kostelijke lakens, linnen, wollen, zijden en fluweelen stoffen enz., zoodat bedden, koper en tin voor hen geen waarde hadden, en zij zelfs verlegen waren, waar zij hunnen roof zouden bergen. Men verwonderde zich niet over dezen grooten buit, te Alkmaar gevonden; want eene menigte landlieden waren van de omliggende plaatsen herwaarts gevlugt, en hadden deze stad als tot pakhuis hunner rijkdommen gemaakt.

Gedurende acht dagen ging deze woeste horde voort met de stad plunderen, en ontving bovendien nog dagelijks eene verbazende somme gelds van brandschattingen uit de naburige noordelijke dorpen, om van plundering en brandstichting verschoond te blijven. Eindelijk vertrokken zij op den negenden dag in den vroege morgenstond, doch staken alvorens nog den brand in Alkmaar, met zich een ontzaggelijken buit en vele gevangenen medevoerende, terwijl zij op hunne weg menig dorp, ten zoen hunner wreedheid, aan het vuur opofferden, tot zij in het Sticht van Utrecht gekomen waren, en veel bloeds vergoten, veel lands verwoestten en veel volks tot armoede bragten.

Toen de Hoornschen, welke op den Huigendijk tusschen den Waard en de Schermer zich verschanst hadden, aan den opgaande rook van Alkmaar bemerkten, dat de stad door den vijand verlaten was, trokken deze dadelijk naar Alkmaar, hielpen den verschrikkelijken vuurgloed; die reeds meer dan honderd huizen in de asch gelegd had, blusschen, en bewaarden aldus de ongelukkige stad voor eenen algemeenen ondergang.

In deze plundering gingen mede zoo velen der belangrijkste stads- privilegiën en keuren verloren, dat de kamer van burgemeesteren, na het vertrek des vijands, ter hoogte van eene knie met stukken papier gevuld lag.

Spoedig echter verlieten de stroopende Zwarte Hoop en Geldersche Friezen weder het Sticht, trokken bij Kuilenburg over de Lek, vandaar op Langerak en Nieuwpoort, en betraden, vlammende op roof en dorstende naar bloed, de aanzienlijke en van ouds geachte baronie Asperen. Woedend vielen zij op het toen zoo goed bemuurde en versterkte, doch thans zeer vervallene stadje Asperen, in het zuidelijke deel van Holland gelegen, aan, terwijl Dirk van Haaften, uit de stad Bommel komende, de Geldersche nog met een deel volks ter hulpe snelde. Onder een ijselijk geschreeuw begon de bestorming; dan de inwoners, door dit woeste alarm niet vervaard, verdedigden hun leven en hunne bezittingen met zulk eenen moed, dat de pen der geschiedenis van hunne volharding met den meesten lof gewaagt. Tot drie maal toe werd het vijandelijk heer van de wallen verjaagd; doch bij den vierden aanval moest de onbedrevenheid der burgers voor de ervarenheid des vijands zwichten. Geweld zegepraalde hier over het regt, overmagt over zwakheid.

Stormenderhand werd de stad, met een aanzienlijk verlies des vijands, bemagtigd, en nu hadden binnen hare wallen gruwelen plaats, waarvan de menschheid ijst. Vrouwen, mannen, grijsaards en kinderen werden aan het zwaard opgeofferd. Wat zich in de huizen verschool, werd opgezocht en doodgemarteld. Zelfs geestelijken, in de kerken gevlugt, en een weerloos knaapje, achter het altaar schuilende, dienden der wreedheid ten spel; terwijl de barbaarsche behandeling, eener hoogstzwangere vrouw aangedaan, het hart van weedom doet krimpen, en kieschheidshalve hier moet verzwegen worden. Hierna brandden zij de stad grootendeels tot op den grond toe af, en verschoonden zelfs de sierlijke Groote Kerk niet.

De stad dus overmeesterd hebbende, hielden zij zich daarin op, en gebruikten haar tot een rooversnest, waarvan zij, als een allesvernielende stroom, van tijd tot tijd Holland overvielen en verschrikkelijke verwoestingen aanrigten.

De Graaf van Nassau, stadhouder van Holland, hun dit stroopen willende beletten, trok met de Heeren Jan van Wassenaar en Floris van IJsselstein, aan het hoofd van een goed deel volks, naar Asperen, en sneed hun allen toevoer af; zoodat zij, vreezende van honger en gebrek te zullen omkomen, hunnen roof en buit bijeenpakten en Asperen verlieten, er slechts eenige Geldersche landlieden, burgers en krijgsknechten achterlatende. Zoo brak dan op den vijfden dag van Oogstmaand 1517 de blijde stonde der verlossing voor het zwaar geteisterde Asperen aan, maar ook tevens van de geduchte vervolging der Geldersche Friezen en van den Zwarte Hoop. De dappere Hendrik van Nassau dreef hen overal voor zich uit, en ruste niet voor en aleer zij Hollands bodem geheel hadden ontruimd. Eindelijk werden zij in het volgende jaar door hem geslagen en ganschelijk verstrooid, en allen, die den stadhouder in handen vielen, vooral de verwoesters van Asperen, als roovers behandeld en opgehangen.

’s Graven leger, door felle wraakzucht bezield, viel nu mede in de Veluwe, waar het in blinde woede alle mogelijke schade aanrigtte, de vlam alomme uit vele schoone dorpen en heerenhuizen deed opgaan, en ’s vijands vruchtbare akkers en velden deerlijk verwoestte. Hierbij liet hij het nog niet berusten: hij trok naar Arnhem, in welke stad de Hertog van Gelder zich bevond, belegerde haar, en sloot haar zoo naauw in, dat er geen toevoer van leeftogt kon binnenkomen, hetgeen Hertog Karel dermate beangstigde, dat hij een verdrag aanging, waarbij hij voor de som van 100,000 kroonen van zijn regt op Friesland aan Karel II afstand deed; doch, zoo als reeds gezegd is, niet vóór 1524 geraakte Friesland geheel en al van de Gelderschen bevrijd.

Door den onverzoenlijken haat van Karel van Gelder tegen het huis van Oostenrijk duurde de oorlog met Gelderland intusschen nog met afwisselend geluk eenigen jaren voort. Ja, zelfs nog na zijnen dood, die in 1538 voorviel, werd die krijg met de meeste woede door zijne opvolger Willem II, oudste zoon van den Hertog van Gulik en Kleef, voortgezet, en werd hij daarin door Frans I, Koning van Frankrijk, met troepen ondersteund. Eindelijk kwam Keizer Karel zelf uit Spanje, en aan het hoofd van 44,000 man staande, maakte hij Willem, na de steden Buren, Gulik, Roermonde en Venlo veroverd te hebben, geheel magteloos om zich langer te verdedigen. Deze vernederde zich in de laatste stad voor den Keizer: knielende bekende hij schuld, bad om genade, en sloot den 7den Herfstmaand 1543 met zijnen overwinnaar een verdrag, waarbij hij den Keizer Gelder en Zutphen afstond, die derhalve thans heer over al de zeventien Nederlandsche gewesten werd.

Zoo eindigde dan deze vijftigjarige oorlog, die wel bij uitstek roemrijk was geweest voor de wapenen van een klein gewest, zoo als Gelderland, maar ook zeer nootlottig voor de ingezetenen dier provincie, even als voor die van Holland.

 

Geldersche Friezen.

 

De oorzaak van den vijftigjarigen Gelderschen krijg en van den fellen haat van Karel van Gelder tegen de Grafelijke stamhuizen van Bougondië en Oostenrijk moet hoofdzakelijk gezocht worden in eene bemoeijing van Karel den Stouten, Graaf van Holland, in een familietwist tusschen Arnoud van Egmond, Hertog van Gelderland, en diens zoon Adolf. De laatste, begeerig om zelf het bestuur in handen te krijgen en door vele Geldersche steden gerugsteund, verzette zich namelijk tegen zijnen hoogbejaarden vader, en smeedde met zijne verfoeijelijke moeder, Katharina van Kleef, het opzet, om den vader en echtgenoot van zijn bed op te ligten en in hechtenis te zetten. Dit werd op de verraderlijkste wijze, onder den glimp van een vriendschappelijk bezoek, volbragt, en de grijsaard in den winter van 1465, in het holst van den nacht, vijf uren blootsvoets over het ijs naar het tolhuis te Lobith en van daar naar Buren gevoerd, waarna Adolf zich in zijne plaats als Hertog van Gelderland deed uitroepen. Dan ofschoon de Geldersche steden dezen gruwel duldden, en de ontaarden zoon als landheer huldigden, maakten Willem, Adolf’s broeder, en de Hertog van Kleef het den overweldiger zoo bang, dat hij eene gelofte deed om zijn vader te ontslaan, waarop ook de Paus en Hertog Karel van Bourgondië, tevens Graaf van Holland, en bekend onder den naam van “de Stoute” , ten sterkste aandrongen. Genoemde Karel riep daarop Adolf, zijn schoonbroeder, tot zich te Hesdin in Artois; hier verscheen ook de ongelukkige vader, ten einde voor eene aanzienlijke vergadering hunne zaak te bepleiten; maar de onnatuurlijke zoon antwoordde op de voorslagen van Karel, “dat hij liever zijnen vader met het hoofd voorover in een put wilde werpen, en zichzelven er bij, dan van een verzoening hooren.”

Adolf, met reden thans beducht voor eene inhechtenisneming, ontsnapte in stilte, doch werd op de brug te Namen, als monnik verkleed, herkend en gevat, en, zolang Karel leefde, gevangen gehouden. De grijze Arnoud, verbitterd op zijn ontaarden zoon en door Karel den Stouten in zijne staten hersteld, onterfde hem geheel en al, en verpande nu, uit geldgebrek, voor ƒ300,000 Gelderland en het graafschap Zutphen aan zijnen bevrijder Karel den Stouten, die zich in 1473, na het overlijden van Arnoud, met geweld van de aan hem verpande landen meester maakte, daar de inwoners naar geene huldiging luisteren wilden, en nog altijd Adolf aanhingen. Maar Karel’s bemoeijing met de Geldersche zaken, als anderszins, gevoegd bij zijne eigene verheffing tot den hertogelijken zetel, had den wrok in het hart der Gelderschen hevig tegen hem ontstoken, en deze nam niet weinig toe, toen hij de beide kinderen van Adolf, Karel en Philippa, gevangen nam en naar Gent vervoerde. Dan, naauwelijks was Karel de Stoute voor Nancy gesneuveld, of Gelderland, waaraan door kracht van wapenen het Bougondische bestuur was opgedrongen, verkoos nu Adolf, welken de oproerige Gentenaren uit den kerker te Kortrijk hadden bevrijd, op nieuw tot hertog; en toen hij kort daarna in eenen strijd tegen de Franschen bij Doornik het leven verloor, droegen de Gelderschen de hertogelijke kroon aan zijnen minderjarigen zoon Karel, nog te Gent gevangen, op, over wiens voogdij in het hertogdom hevige onlusten ontstonden. Hieraan maakte echter Maximiliaan van Oostenrijk, gehuwd met Maria van Bougondië, dochter van Karel de Stouten, een einde, die zich nu als hertog deed huldigen. Met weêrzin onderwierpen de Gelderschen zich intusschen aan het Oostenrijksche bestuur; dikwerf staken zij den standaard der onafhankelijk op; doch gebrek aan een bekwaam opprhoofd en twist en bloedige verdeeldheid deden deze pogingen steeds mislukken. Eindelijk vonden zij daartoe het middel, door gezamenlijk eene aanzienlijke som tot losprijs voor de vrijheid van Karel van Egmond, Adolfs zoon, bijeen te brengen. (Karel van Gelder, gewoonlijk door zijne tegenstanders Karel van Egmond genoemd, werd met zijne zuster Philippa als gevangenen naar Gent gevoerd, aldaar opgevoed en in den krijgshandel geoefend. In eenen oorlog, dien Maximiliaan tegen de Franschen voerde, werd hij in 1487 gevangen genomen, en in 1492 ontslagen, waarschijnlijk niet zonder raadgevingen en voorschriften van de Fransche zijde, hoe hij de meeste afbreuk kon doen aan het Huis van Oostenrijk.) Hij keerde in 1492 op Geldersche bodem terug, en werd er met opene armen ontvangen, daar men van zijnen krijgskunde en dapperheid, voor de herkrijging van s’lands vrijheid zich alles beloofde. In de meeste steden met gejuich begroet, werd hij spoedig tot hertog gehuldigd en alom de Oostenrijksche bezetting verjaagd. Hiermede begon nu de 50jarige krijg in den jare 1493, tusschen het Bourgondisch- Oostenrijksche huis en Gelder, welke, met afwisselend geluk gevoerd, vooral door verwoesting, plundering en blaken, met woeker aan Holland de verdrukking betaalde, die de Gelderschen van Oostenrijk geleden hadden. Zij vonden in den nieuw verkozen hertog ook een bijzonder ijverig dienaar van hunnen zoo lang verkropten wrok. Terstond elke gelegenheid aangrijpende, die hem daartoe gunstig scheen, hield hij met niemand vrede, was nimmer te vertrouwen, en alle verbintenissen, met hem gesloten, werden ook spoedig weder door hem verbroken. Even looselijk gedwee in wanhoopige omstandigheden, als moedig bij de minste kans tot redding of verbetering van zijnen toestand, was het hem eene zeer verblijdende tijding, te mogen vernemen, dat Friesland, afkeerig van het Saksisch bestuur, aldaar door Maximiliaan tot stand gebragt, in 1514 zich tot hem om hulp wendde; hierdoor toch kon hij zijne vijand, Maximiliaan, schaden, en tevens de regten bekorten van den jeugdigen en onmondigen kleinzoon van Maria, op wien hij zijnen haat tegen de huizen van Bourgondië en Oostenrijk had overgedragen. Spoedig verleende hij aan Friesland de verzochte hulp, en het zijn deze krijgsbenden, die, met de ontevredene en wraakgierige Friezen vereenigd, in Neêrlands geschiedenis den naam dragen van Geldersche Friezen.

Toen de jonge Karel van Oostenrijk, in 1515, van Joris van Saksen het regt op Friesland voor 350,000 Rijnsche guldens gekocht had, en hij in dat zelfde jaar, in den jeugdigen leeftijd van slechts 15 jaren, het bestuur over de Nederlanden in persoon aanvaarde, onstak de rustelooze Karel van Gelder in Holland en West- Friesland, als ook in de andere provinciën, onder den Graaf van Holland staande, het verslindend oorlogsvuur, en tevens hielden de Geldersche Friezen, door hun strooperijen en verwoestingen, de inwoners langs de zeekanten alomme in gedurige vrees. Hun voornaamste zeeoverste “Lange” of “Groote Pier”genoemd, veroverde, aan het hoofd eener aanzienlijke vloot staande, den 17den van Grasmaand 1516, voor Enkhuizen, eene hulk, geladen met rogge, hout en jopenbier, en bragt die te workum in Friesland op; terwijl hij met zijne scheepsmagt, waaronder twee bodems als geduchte forten toegerust, dagelijks groote schade deed, en de zee bijkans geheel gesloten hield, zoodat men naauwelijks van Texel en den Vlie- stroom op of af kon komen, tot groot nadeel van den handel; waarbij hij tevens de wreede gewoonte had, om de Hollanders, die hij van de vermeesterde schepen in handen kreeg, zonder genade in zee te werpen, hetgeen hij “voeten wasschen”noemde. Maar den 13 den van Bloeimaand des zelfden jaars overviel Floris van IJsselstein, de eerste Graaf van Buren, de bovengenoemde Geldersch- Friesche vloot voor Workum, bemagtigde een groot deel dier oorlogsschepen, deed velen der manschappen van Grooten Pier sneuvelen, anderen overboord werpen, en eenige gevangen naar Enkhuizen en Hoorn voeren, waar zij, als zeeroovers, met de galg gestraft werden. Doch spoedig werd deze gestrengheid met wreedheid gewroken, want in het volgende jaar 1517, toen ook de Zwarte Hoop in dienst van den Hertog van Gelder was overgegaan, had gansch Noord- Holland, gelijk reeds gezegd is, zeer veel van hen te lijden.

Na de gepleegde gruwelen te Medenblik, in Junij 1517, keerde Groote Pier, rijkelijk met buit beladen, met zijne roofschepen naar de Friesche kust terug, de Gelderschen achterlatende, welke voortgingen alles te vuur en te zwaard te verwoesten; terwijl hij, daar zijn ingekankerde haat tegen de Hollanders geen palen kenden, op zee met plunderen en rooven voortging. War wonder dan, dat de landzaat verslagen werd, en, daarenboven nog door gedurige valsche geruchten verschrikt, naar middelen uitzag om den hoogst gevaarlijken vijand met allen spoed te keeren. De kusten werden versterkt, de verslagene gemoederen opgebeurd door belofte van hulpbetooning, en tot moed aangemaand in tijd van gevaar. Op den 18den Julij kwamen de Staten te Delft bijeen, en besloot men om met vereende krachten eenige oorlogsschepen in zee te brengen, ten einde Grooten Pier met zijnen aanhang tegen te gaan. Om de uitrusting te bevorderen, werd de bezoldiging van het scheepsvolk verhoogd, en de kosten daarvoor gevonden in zeker lastgeld, van de koopvaardijschepen geheven. De groote spoed, waarmede nu alles van de hand ging, was oorzaak, dat, reeds met het einde van de zelfde maand, eene vloot was bijeen gebragt, waarover Anthonius van den Houte, Heer van Fleteren, als Admiraal der Zuiderzee, het bevel kreeg, wegens de ongesteldheid des Heeren van Zevenbergen. Bij deze vloot vervoegden zich, kort daarop, nog eenige andere oorlogsschepen, door de zeesteden uitgerust, waaronder vijf van Enkhuizen, alle van buskruid en levensmiddelen rijkelijk voorzien, en met kloeke, ervaren zeelieden bemand. ( Het is eene bekende zaak, dat de enkhuizers in den Gelderschen oorlog zich steeds door hunne moed en hunne waakzaamheid onderscheiden hebben, alsmede, dat hunne ervarenheid ter zee zóó hoog bij Karel van Oostenrijk stond aangeschreven, dat, toen hij naar Spanje reisde, om de huldiging van Castilië en de andere koningrijken te ontvangen, in Junij 1517 te Middelburg komende, begeerde, dat hem de Enkhuizers met hunne schepen zouden overvoeren. Ook getuigd Hadrianus Junius van Hoorn, dat zich deze vorst in al zijn togten, en zijn zoon Koning Phillps II, als hij over zee moest varen, niet ligtelijk in andere dan Enkhuizer schepen plagt te vertrouwen.)

Terwijl de schepen nu voor Enkhuizen bijeen waren, kwam middelerwijl de tijding, dat de Gelderschen op de Veluwe door den dapperen Hendrik van Nassau allerwegen benaauwd werden, en niet konden wegkomen, dan alleen ter zee; waarom de admiraal en de steden Amsterdam, Hoorn en andere die op de vloot waren, duchtende dat de Friezen eenigen bodems zouden uitzenden, om ze te water over te voeren, op den avond van St. Laurentius eene vrije rooverij aan alle bijzondere personen toestond. Dit plakkaat van vrije rooverij was van den volgenden inhoud:

“De Heere van Fleteren, Admirael van der Zuyderzee, consenteert ende gheeft oorlof van ’s Conincx weghen, dat eenen yegelijcken wie hy sij, sonder dienst, zal moghen rooven, branden, pilgeeren, ende doodtslaen de rebellen en de vyanden des Conincx, ende hare goeden aenveerden, ende houden voor goede ende vrye prijs ende buyt, sonder yemandts wedersegghen. Behouden alleenlijck, dat de voorschreven Admirael met sijnen Rade de kennisse van de voorschreven genomen goeden hebben sal, ende hebben verklaert, of de goeden prijs zijn of niet, eer men die sal moghen paerten, deelen of vervreemden. Ende of yemandt daer over ghevanghen worde, sal dien verantwoorden. Ghedaen tot Enckhuysen den 6 Augusti, Anno 1517.

Van den Houte, zich nu in staat ziende den vijand afbreuk te doen en te beteugelen, stak thans, vol moed, in zee, en deed de fortuin aan zijne zijde overgaan. Vele schepen der Geldersche Fiezen, die ten Bunschoten lagen, werden verbrand, andere verjaagd en gedwongen zich in de Friesche havens te verschuilen. Dus verloor de vijand, die door onze werkeloosheid stout was geworden, op een oogenblik de heerschappij der zee. Dan door de langdurigheid van dezen togt begon de zenuw des oorlogs, het geld, te ontbreken. Er ontstond gemor op de vloot; men beschuldigde de bevelhebbers en toonde zich onwillig om verder te gehoorzamen. In dezen nood zond Francoys Cobel, Raad van Holland, een man van uitmuntende schranderheid en groot gezag, dien men daarom ook den admiraal als opziener der schepen toegevoegd had, brieven aan het bestuur van Hoorn, met de dringende bede, om, in den tegenwoordigen nood, hem in ééns eene zekere somme gelds toe te zenden, welke anders in drie reizen had moeten betaald worden. Hoorn voldeed bereidsvaardig aan dit verzoek, en hierdoor kon men het misnoegde volk de achterstallen betalen, terwijl het wegnemen der klagten ten gevolge had, dat de vijand, die nu nergens meer veilig was, gedwongen werd de zee te ruimen. Ja, het was zo ver met hem gekomen, dat hij, ten einde raadwat te beginnen, geheel twijfelmoedig werd: wanneer de Koning van Frankrijk, aan wien men de eer gelaten had, van, als scheidsman, eene bevrediging te bewerken, een bestand voor 6 maanden bezorgde, ingaande met 17 September 1517. Men kwam dan overeen, “dat de Hertog van Gelder zijn regt op Friesland afstaan, en Koning Karel daarvoor 100,000 kroonen aan hem betalen zoude: voor het overige zoude men de wapenen op stonde nederleggen.”

Maar toen de belegering van Arnhem ( te voren gemeld) nu opgeheven was, kreeg Gelder wederom moed, en toonde dat hij zich weinig over de bepaalde voorwaarden bekommerde; zoodat hij aan zijne Friesche bondgenooten schreef, niet van mening te wezen hen te verlaten, maar nog gereed was, voortaan lijf en goed voor hen te wagen. Evenwel werd het bestand, in de maand Mei 1518, voor een geheel jaar verlengd, doch alweder door de Gelderschen geschonden, want zij roofden en brandschatteden niet minder dan te voren: inzonderheid ontzag Groote Pier zich niet, de grootste wreedheden weder op zee te plegen, en door zijne zeerooverijen den handel te stremmen. Hierover vervoegden zich de Hollanders met herhaalde klagten bij hunnen stadhouder, doch kregen het uitdrukkelijke bevel, om het gesloten contract of bestand in alle deelen na te komen, den vijand geenerlei afbreuk te doen, en alleen het hunne, verwerenderwijze, te beschermen. Hierom verwenschten zij eenen oorlog, welke, met den naam van bestand omkleed, den van ouds behaalden roem der Hollanders met eene onuitwischbare schande bedekte, en hunne rijkdommen den vijand als het ware ter hand stelde, terwijl deze door die lafhartige flaauwheid hoe langer hoe baldadiger werd. De stoutheid en trots van den onverschrokken Pier en zijne Geldersche Friezen klom dan ook ten hoogsten top. Den 8sten Mei namen zij vier oosterlingen, met zaad beladen, bragten ze in de Kuinre, en rantsoeneerden deze voor 900 goudguldens. Den 13den der zelfde maand staken zij op het eiland Marken een huis in brand, kwetsten en mishandelden aldaar de vrouwen op eene deerlijke wijze, en voerden tien mannen, waaronder de burgemeester en schout waren, gevangen naar Friesland. Zoo ook randden zij, om van geene andere gebeurtenissen van minder belang hier te gewagen, op den 14den Augustus eenige Hollandsche vaartuigen voor Hoorn aan, maar verloren daarbij een bijzonder best schip, terwijl de kapitein met zijn volk werd over boord geworpen. Doch al wijkende, behield Pier zijne kloekhartigheid; hij sprak zijne manschappen een nieuw hart in het lijf; met eene onweêrstaanbare dapperheid hervattende deze het gevecht; de Hollanders werden op de vlugt gedreven, verloren elf bodems, en 500 hunner sneuvelden hier, of vonden op zijn bevel hun graf in zee.

Ongemeen gebeten op het toen zoo wél versterkte en matige Hoorn, vormde Pier met de zijne het plan om deze zeestad te overrompelen en haar te verdelgen. Om echter zijn voornemen te bedekken, gaf hij voor, naar Harderwijk te willen zeilen, alwaar de Hertog van Gelder zich bevond. De strandwacht hierdoor zorgeloos gemaakt hebbende, lande Pier den 28sten September 1518 in het holste van den nacht op den dijk bij Hoorn, en zocht voorts ter stad in te dringen. Dan de burgerij kwam in allerijl nu op de been; in een oogenblik was de geheele bevolking in de wapenen, en er werd lang en scherp gevochten. De Friezen streden, verhit op buit; de Hollanders daarentegen voor het behoud van leven en haardstede; weldra moesten de eersten de vlugt nemen, en Hoorn was gered. Eene maand daarna voer Groote Pier met vier zijner schepen naar Medemblik, en stak onder de Hoognisse drie of vier woningen in brand, hetgeen onder de burgers grooten schrik verwekte; maar eer zij bijeenkwamen, vertrok hij, zich over hunne ontsteltenis verheugende.

Dus maakten de Friezen en hunne bondgenooten, te midden van het bestand, het den Hollanders, ofschoon de overmagt hebbende, van alle zijden bang, wijl het hun niet vrijstond hen aan te tasten. Toen het ten einde was geloopen, werd het wederom in het voorjaar van 1519 voor twee jaren verlengd, maar even als de vorige bestanden door de Gelderschen trouweloos onderhouden, waardoor de Hollanders steeds op hunne hoede moesten wezen, en hun krijgsvolk en hunne oorlogschepen gereed houden als in oorlogstijd, zoodat zij door dit bestand meer verlet dan verbeterd waren. En ofschoon Groote Pier, omtrent 1520, zijn afscheid van het krijgstoneel genomen had, gingen de Geldersche Friezen, terwijl Holland in den Fransche oorlog gewikkeld was, met hunne roofzuchtige togten voort. Zoo vielen zij in den zomer van 1522, terwijl de Hollandsche vloot met krijgsvolk voor Geelmuiden ( Genemuiden) lag, met twintig schepen op Texel en Wieringen. Aan het eerstgenoemde eiland werd eene brandschatting afgeperst van 10,000 Philips- guldens. Wieringen moest, nadat er zestig huizen afgebrand waren, nog 3500 dergelijke guldens opbrengen. Daar de eilanders deze som niet gereed hadden, werden er uit de vermogendste lieden gijzelaars medegenomen; ook namen de Gelderschen in Julij eene geheele vloot Oostersche schepen weg, die zij voor goeden prijs verklaarden, en benadeelden hierdoor geweldig den handel, terwijl hun hertog Karel van Gelder de Hollanders te Geelmuiden dermate sloeg, dat zij een goed heenkomen moesten zoeken, en ’s graven stadhouder over Friesland, Georg Schenk, bijna gevangen werd genomen; doch in Friesland diende het geluk de Hollanders beter, daar in 1523 deze provincie geheel door hen bedwongen en de Gelderschman overal verdreven werd.

Van nu af keerde de fortuin Karel van Gelder meer en meer den rug toe; doch daar deze onrustige vorst alleen in het woelige oorlogsleven zijne rust scheen te zoeken, bleef Keizer Karel hem steeds eene onverzoenlijke vijandschap toedragen, en was hem elke twist hoogst welkom, in welken hij zich mogt en kon mengen, ten einde Hollands Graaf te grieven en te schaden; doch al zijne kuiperijen en plannen van vergrooting vermeerderden slechts het aanzien zijner vorstelijke tegenpartij. Het waren de laatste stuiptrekkingen van een weleer fieren, doch thans doodelijk afgematten leeuw.

“Dit was de laatste straal van Gelders ouden luister,

        “Zijn zon neeg nu ter kim; ras zonk ze in ’t aklig duister!”

    Weinig hielp het hem dan ook, dat de Gelderschen in 1528 met de snelheid des bliksems, onder hunnen veldmaarschalk Maarten van Rossum, de Attila zijner eeuw, zelfs wederom diep in Holland drongen, en onder den gewonen oorlogskreet van “Gelder! Gelder!” den Haag overvielen, het Hof innamen, de gevangenis opende, de stad plunderden, en nog daarenboven eene brandschatting van ƒ12,000 met zich voerden. Want niet alleen durfde hij door de uitrusting der zeesteden niets meer te water tegen Holland ondernemen; maar nog in dat zelfde jaar, wanneer Juriaan Schenk, Heer van Tautenburg en Stadhouder van Friesland, zich met Floris van Egmond, Graaf van Buren, van Keizers wege kapitein- generaal, had vereenigd, werd de Geldersche Hertog zoodanig door de keizerlijke troepen geslagen, dat hij, van alle kanten benaauwd en op Pinksterdag in de meijerij van den Bosch overwonnen, naar vrede begon te luisteren, met dat gevolg, dat er op het einde van den herfst, tot groote blijdschap der ingezetenen, te Gorinchem van weêrzijden een vredesverdrag gesloten werd.

Bij dezen vrede was de Hertog van Gelder verpligt om zijn rijk over te dragen aan Keizer Karel V , als Hertog van Braband en Graaf van Holland, onder bepaling echter dat hij, Gelderland, Zutphen en Groningen in leen zou houden.

Welk eene geweldige vernedering voor eene man als Karel! Als erfvijand van Oostenrijk gevoelde hij dan ook ten volle daarvan den druk; maar hij verkropte zijne spijt, en in zijne magteloosheid moest hij zich willens of onwillens naar den drang der omstandigheden schikken. Dan na de gedwongene rust van eenige jaren verscheen hij weder op het tooneel des oorlogs; hij mengde zich namelijk in eenen twist tusschen Christiaan III, zoon van Koning Frederik van Denemarken, en den Paltsgraaf Frederik, schoonzoon van den verdreven en gevangen gehouden Deenschen vorst Christiaan II, die Denemarken zocht te herwinnen. Karel koos de partij des eersten, en met eenig in Westfalen aangeworven volk sloeg hij zich daarmede in Groningerland neder, in schijn tegen Frederik’s troepen, doch inderdaad om die provincie, welke zich met hem niet verdragen kon, in bedwang te houden, en deed den inwoners op den naam der Denen allen overlast aan, waaruit volgde, dat zij besloten zich aan hem te onttrekken en Keizer Karel V als heer te huldigen, mits hij hun terstond hulp tegen Hertog van Gelder toezond. Aan dit verzoek werd onverwijld voldaan, te meer, daar Keizer Karel zeer op de hand van den Paltsgraaf Frederik was, en na het veroveren van Appingadam en Koevorden ging Groningen met Drenthe geheel aan de Keizerlijken over. Dit gebeurde in 1536, en met den vrede, die toen gesloten werd, zag Hertog Karel zich op nieuw een heerlijk gewest ontrukt.

Maar zie! Pas was deze vaste zoen en vrede, gelijk het heette, tusschen hen getroffen, of reeds den 22sten Januarij 1537 vond de Hertog goed eene aanslag op Enkhuizen te maken. In het jaar 1506 had hij dit ook reeds beproefd met 24 schepen, en het plan gevormd om de bodems, daar in de haven liggende, in brand te steken. Een driedaagsche mist scheen hem daartoe te begunstigen; doch terwijl één van zijne schepen het volk aan land zette, kwam er juist een vischscheepje uit de haven met twee mannen, die, het volk bemerkt hebbende, stadswaarts keerden, en “vijand! Vijand!” riepen. De Gelderschen, dus ontdekt zijnde, namen de vlugt, en werden door de Enkhuizers, die er op uitkwamen, tot bij Ens vervolgd. ( Ens is het zuider deel van het eiland Schokland.) Maar Enkhuizen te verrassen, als de deur en sleutel der Zuiderzee, en allerbekwaamst en best gelegen om van daar Holland te kwellen, dit schijnt altijd één zijner geliefkoosde plannen geweest te zijn. Ten minste in 1537, zelfs te midden des vredes, beproefde Karel haar met een list te vermeesteren. Om hierin naar wensch te slagen, rustte hij te Harderwijk vijf smakschepen uit, en opdat alles met den meesten spoed in orde en stilte zou geschieden, begaf hij zich in persoon derwaarts, en hield er de poorten gesloten, opdat niemand Enkhuizen of de andere watersteden van den juisten tijd zijner komst kon waarschuwen. Den 21sten Junij liet hij tegen den avond omtrent 700 krijgsknechten zoo stil mogelijk scheep gaan, en vergezelde hen tot op de brug, waar zij afvoeren, belastende dat zij hunne officieren, op verbeurte van het leven, in alles stiptelijk en bereidvaardig zouden gehoorzamen. De tijd dezer onderneming was door hem met groot beleid, als de geschikste, nu juist gekozen, wijl de meeste burgers en al de jonge manschappen van Enkhuizen ter zee waren, om met hunne en andere schepen uit West- Friesland een wakend oog op Karels wapenen te land en ter zee, als niet veel goeds voorspellende, te houden. In den vroegen morgen van den 22sten Junij, een of twee uren vóór zonneopgang, kwamen de vijandelijke vaartuigen voor Enkhuizen op de reede ten anker, en meenden de stad onverhoeds in te nemen. Doch daar het water zeer laag was, waren zij verpligt de landing uit te stellen tot een hooger tij. Door dit vertoeven en het aanbreken van den dag liep deze aanslag te niet; want de burgers, zoowel uit het getal der schepen als uit andere bijkomende zaken, kwaad vermoeden opvattende en bekend met Karel’s toerusting ten oorlog, hielden zich ten volle overtuigd, dat het Gelderschen waren. Spoedig snelde nu op den kreet van “verraad! Verraad!” alles in de stad te wapen, ten einde zich bij tijds te kunnen verdedigen, en in één oogenblik was de bedreigde zeekant met oud en jong bedekt. Toen de vijand dit zag, oordeelde hij het van belang om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, en met zulk een haast werd dit volbragt, dat hij zijne ankers kapte en achterliet, om naar Harderwijk terug te keeren.

Op last der regering zijn daarna de gekapte ankers opgehaald, en twee derzelve, ter gedachtenis van den gemisten aanslag en van de trouwelooze list der Gelderschen, aan den Engelschen of zuidertoren opgehangen, doch prijken thans als gedenkteekens aan het gebouw de Drommedaris. Hadrianus Junius van Hoorn maakte daarop het volgende gedicht, dat in eenen steen onder de ankers werd uitgehouwen, en met zijne talletters het jaar des aanslags uitgedrukt. Ook deze steen is door de zorg der regering tot heden bewaard.

enChVsaM InsIdIIs taCItIs sVb noCte sILentI orrVere andIXa est

geLrICa PerfIdIa.

 

DAT IS :

De geldersche ontrouw zocht Enkhuizens strijdbre wallen

Bij nacht met hare list van buiten te overvallen.

    Daarbij werd nog gevoegd een gedicht van Mr. Gerbrandt Cloeten of Cloeting, naderhand pensionaris en te laatste rector der Latijnsche school te Enkhuizen, van de volgende inhoud:

Anchora quam cernes ferro, praecisa bipenni,

Artes testantur, perfide Gelre, tuas.

 

DAT IS :

Deze ankers, afgekapt toen de aanslag was gemist,

Getuigen, Gelderschman, uw trouweloze list.

 

De geschiedschrijvers zwijgen van het verdriet, dat deze mislukte aanslag den Hertog van Gelder natuurlijk heeft moeten veroorzaken; maar daarentegen berigten zij, dat hij dit verradelijk plan, van Enkhuizen in vredestijd te willen vermeesteren, ontkend heeft. Dit is zeker, dat hij, kort na het wederkeeren zijner schepen, aan de burgemeesters te Amsterdam, om alle achterdocht weg te nemen en de steden in slaap te wiegen, schreef: “ Dat de gemelde scheepen alleen t’seil waeren geweest, om sijnen Neve den ouden Cardinael van Bourbon, die hem noch voor sijn einde socht te bezoeken, aen den ingangk van ’t Texel waer te nemen: en dat se t’Enkhuizen niet gekomen waeren, dan uit noodt, en om dat hun de windt en stroom tegens viel: hierdoor vonden se sich gedrongen, om voor de stadt te strijken, en daer ten anker te leggen; en ten laetsten, als de tegenwindt noch bet ontstak, weêr naar Harderwijk te keeren. Men moest het dan niet quaelijk nemen, dat sijne schepen voor Enkhuizen waeren geweest, als geschiedt tegens dank, en niet uit quaede meeninge om de stadt eenige schade of overlast te doen; hebbende met den Keiser en sijne landen niets uitstaende dan minne en vriendtschap: derhalve versoekende men wilde sijne Neve brieven van vrijgeleide toestieren om buiten gevaer te mogen overkomen.” Dan Amsterdam, wetende wat er te Harderwijk, terwijl de poorten gesloten waren, was omgegaan, daar eenige zijner burgers toen juist in de stad waren, verwonderde zich over ’s Hertogs veinzerij: doch men maakte evenwel in het antwoord, dat Amsterdam hem zond, geen gewag van Enkhuizen, maar schreef alleen aangaande zijn verzoek: “ Dat se de magt niet hadden, om des Keisers vyanden vry geleide te geven: dat moest men van Vrou Maria de Landtvoogdesse versoeken.”

Te vergeefs had dus Karel van Gelder hier het masker der huichelarij gebezigd, om den hatelijken naam van verrader te ontgaan; en de hooghartige man door de mislukking van al zijne ontwerpen gedrukt, begon te kwijnen, en naderde zoo met rassche schreden zijn einde.

Alleen bepaald tot zijn erfelijk hertogdom Gelder, trachtte hij, nog eer hij stierf, dit op te dragen aan den Koning van Frankrijk, opdat, na zijnen dood, de Keizer zich met deze aanwinst niet verblijden mogt. De Gelderschen keurden deze handelwijze ten hoogste af, en alhoewel hij zelfs door de wapenen zijn plan poogde door te drijven, moest hij zwichten en zien dat zijne staten, tegen zijnen wil en zin, willem van Gulik tot zijn opvolger verklaarden. Het verdriet, dat de grijsaard hierdoor ondervond, deed hem in eene ziekte storten, welke hem in 1538 in den ouderdom van 73 jaren wegrukte, en waardoor het Huis van Oostenrijk van zijnen grootsten erfvijand bevrijd werd.

 

Groote Pier.

 

Op eenen kleinen afstand van Arum ligt het aangename en boomrijke Kimswerd, een Friesch dorp, bekend door den beruchten Langen of Grooten Pier, die daar het eerste daglicht aanschouwde. Deze zonderlinge man was een Friesche boer, en dus genoemd, wegens de ongemeene grootte of lengte van zijn ligchaam. Zoo kloek als hij was van Ligchaamsgestalte, zoo sterk was hij ook van krachten, zoo groot van moed en zoo vaardig om iets te ondernemen. Deze ongemeene dapperheid werd evenwel aan den anderen kant ook door verscheidene gebreken opgewogen; want hij was, bij zijne, bij zijne onversaagdheid en vaardigheid, trotsch, oploopend, en, bij zijne sterkte, wreed en wraakzuchtig. Als boer bevond hij zich in geene ongunstige omstandigheden, waarin hij echter door gevolgen van den oorlog niet weinig gekrenkt werd. Toen eindelijk de Saksers en de Gelderschen, in de 16de eeuw, elkander over het bezit van Friesland, over en weder woedend aanvielen, en het geheele land door vijandelijke benden afgeloopen, geplunderd, gebrandschat en vernield werd, kon het niet missen, of vele welgestelde landlieden moesten daardoor geheel bedorven worden. Onder dat getal bevond zich ook Groote Pier, die van alles ontzet en tot den bedeltak gebragt werd. Behalve de verliezen, was zulk een hoon en zulk eene verongelijking voor een man van zijne fierheid onverdragelijk. Toen derhalve de Friesche boeren, in 1514, op de aftrekkende Saksers aanvielen, bragt onze Pier eene bende van omtrent 600 man bijeen, meest bestaande uit zulken, die, even als hij, óf in zijn eigen persoon, óf in hunne ouderen, beroofd en uitgeplunderd waren; stellende hij zich aan het hoofd dezer bende, met een vast voornemen, om den vijand alle mogelijke afbreuk te doen.

Onder zijne medgezellen vond hij in zijne vriend en neef Wierd een man naar zijn hart, die hem in kloekte van ligchaam, in sterkte, stoutmoedigheid en reokeloosheid bijna evenaarde. Deze was medebevelhebber van dat opgeraapte leger, hetwelk zich, door zulke twee hoofden geleid, ten pligt en spreekwoord maakte, “ geen mensch of duivel te ontzien,” en gereed was, om gelijk men zegt, een roof voor de hel weg te halen. En nademaal Kimswerd, met vele andere dorpen en vlekken, door de Saksers was afgebrand, en de Hertog van Gelder de wapens kwanswijs voor de vrijheid der Friezen aangegord had, spoorde het eerste hen tot meerdere gewelddadigheden en wreedheden aan, welke zij, onder begunstiging van de laatse omstandigheden, te rustiger en onverschrokkener uitvoerden. Zij gingen allerwegen op den vijand los, verklaarden zich onophoudelijk en openlijk voor den Hertog van Gelder, en sloegen al de Saksers dood, die zij magtig werden. Groote Pier, ziende dat het geluk hem, zelfs boven zijn zijne verwachting, diende, droeg wel zorg van zich de tegenwoordige gelegenheid, die hem zoo gunstig was, niet vruchteloos te laten voorbijgaan; en, gelijk hij een man van eene groote ziel was, waren geene ontwerpen of vooruitzigten hem ligtelijk te hoog. De Gelderschen, om de Zuiderzee voor hunne partij vrij te maken, en hunne tegenpartij allen toevoer uit Holland af te snijden, hadden een goed getal enkele en dubbele seinschepen toegerust; over deze schepen werd Groote Pier, die nu door verscheidene verrigtingen in zijne waarde te land was bekend geworden, onder den grootschen titel van Admiraal, tot hoofd aangesteld. Hij kweet zich zoo wel van zijne last, hij roofde met zooveel onversaagdheid en geluk op allen, die van de partij der Saksers en Bourgondiërs waren, dat hij de schrik van Holland en den geesel der Zuiderzee genoemd werd. Daar hij in dit bedrijf noodwendig grooten buit moest behalen, zoo verdeelde hij dezen eenparig onder het scheepsvolk, hetwelk zijn gezag bij zijne landslieden, bekoord door deze soort van gelijkheid met hunne hoofden, niet weinig deed toenemen, en al zijne manschap gereeder maakte om te vechten.

De Saksers, in Holland eene vloot van 36 schepen uitgerust hebbende, om hunne krijgsknechten, die om wanbetaling en uit gebrek aan levensbehoeften aan het muiten sloegen, geld en levensmiddelen te bezorgen, was er geen aangenamer nieuws voor Grooten Pier, dewijl hij die vloot als reeds overwonnen beschouwde; ook trok hij weldra die 36 bodems met 16 welbemande en toegeruste seinschepen tegen, en bemagtigde daarvan, na een hardnekkige en bloedig gevecht, allen, die zich in den strijd hadden durven houden, zodat hij, op 8 schepen na, meester van de geheele vloot werd.

Het geluk, dat hem en den zijne als ten dienste stond, maakte hem allengskens zoo stout, dat hij niemand dan zijne eigene bondgenooten spaarde. Alle schepen van vreemde kooplieden, zoowel in de Noord- als in de Zuiderzee, die in zijne handen vielen, werden prijs verklaard. Dit maakte zulk eene schrik onder de naburige volkeren, dat Groote Pier, dit bemerkende en daardoor opgeblazen wordende, genoemd wildezijn: “ De Verwoester der Denen, de Wreker der Bremeren, de Aanhouder der Hamburgers, het Kruis der Hollanders,” terwijl hij, om zich nog ontzaggelijker te maken, galg en rad in zijn wapen voerde.

Een getal van 150 schepen bij elkander gebragt hebbende, deed hij, als reeds gezegd is, in den jare 1517 eenen inval in Medemblik, welke stad uitgemoord, geplunderd en verbrand werd; ook overwon hij de Hollanders, in 1518, in een vinnig zeegevecht bij Hoorn, en liet velen er van over boord werpen; doch zijne beruchte verrassing van hoorn, op den 28sten September des zelfden jaars, werd door den volhardenden moed der burgers gelukkig verijdeld. Inzonderheid was hij geweldig op de Hollanders gebeten, en beschouwde deze met haat en verachting, zoo als blijkt uit zeker kreupeldicht, waarin hij zich deze grootsche titels geeft:

Ik Groote Pier, koning van Friesland, Hertog van Saksen, Graaf van Sloten, Vrijheer van Hindeloopen, Kapitein Generaal van de Zuiderzee.

      En stuurman ter doot

              Acht de Hollanders bloot:

           Al zijn ze groot van rade,

       Zij zijn slap van dade;

  Sterk van partijen,

  Krank in ’t strijen;

Hoog van glorie,

 Krank in victorie.

                                          Maar die Gelderschen sterk van teringe,

 Slap van neringe;

     Kloek in den velde,

        Maar dorre van gelde;

    Vroom van moede,

          Maar klein van goede,

                        Doch onversaagd in ’t strijden

         Dus wilt u verblijden;

                        En de Hollanders niet achten,

                         Want zij moeten versmachten.

                       Want zij zouden ’t bekoopen,

                      Waar ’t bestand uitgeloopen!

    Tegen mijn dank

              Is ’t zes maanden lank.

 

Toen hij eindelijk zag, dat de schoone woorden van den Hertog van Gelder, die voorgaf de vrijheid der Friezen te willen verdedigen, slechts ijdele klanken waren, en dat hij zoowel de voet op den nek der Friezen zocht te krijgen, als de Bourgondiërs en de Saksers, en daarbij bedenkende hoe wuft de gunst der vorsten is, en wat dank hij misschien voor zijne trouwe diensten te wachten had, nam hij zijn afscheid van den krijg, ging stil leven, en stierf in Sneek, in den jare 1520. Hij vond aldaar in de groote kerk, weleer aan den heiligen Martinus toegewijd, zijne laatste rustplaats.

Dus ontdekte men, door toeval als het ware, in een Kimswerder boer, al de eigenschappen van een grooten held, die, in andere omstandigheden geboren en geplaatst, de wereld door zijne daden verbaasd zou hebben. Zoo blijven dikwijls groote talenten, enkel door gebrek aan gelegenheid, onontwikkeld; zoo zien de eeuwen hare Catilina’s en hare Trajanussen geboren worden.

D.R. Erdbrink.

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *