Harderwijk als hanzestad 3

 

 

 

Hoofdstuk 3

Bij klokkengelui of trommelslag kwamen de poorters en poorteressen op het marktplein tezamen, wanneer de oudste der Burgermeesteren of de afgevaardigden uit de steden der Geldersche kwartieren of de bevelhebbers der bezetting in het openbaar eenige mededeelingen hadden te doen aangaande privilegiën en keuren of de beden van de Vorst.

Genoemde straten hadden eene voor die dagen tamelijke breedte, maar onze goede Harderwijkers kregen er toch maar een betrekkelijk smal strookje van de lucht te zien want de nette, houten gevels der hallen ( winkels ) waren bij de eerste en tweede verdieping sterk naar voren uitstekende gebouwd, zoodat de rieten, of met planken betimmerde daken aan beiden zijden van den heirweg als naar elkander overhelden.

De luiken der smalle, maar in den regel tamelijk hooge vensters dienden, als ze neergeslagen waren, voor klaptafels, waarop de verschillenden koopwaren lagen uitgestald, terwijl stevige luifels met sterke haken voorzien tot afdak, regenscherm en etalage – gelegenheid moesten dienen.

Voor wagens en paarden der huisluiden die inkoopen kwamen doen, was er natuurlijk in zulk een nauwen tunnel geen plaats, daarom stonden zij op de brinken of even buiten de stadspoorten. Al mochten de woonhuizen der winkeliers vrij wat ruimer zijn dan de meeste anderen toch waren ze alles behalve gemakkelijk ingericht; alleen het voorhuis, winkel en magazijn tevens, was groot en hoog van zoldering, de binnenvertrekken waren somber terwijl de smalle boogvensters door de kleine in lood gevatte ruitjes het licht op zoo onvoldoende wijze door lieten, dat men moeite had alles te onderscheiden; de zijgevel der hoekhuizen was meestal blind, of had een enkele uitgang, een nauw met zware, ijzeren houten beslagen poortje, in het midden waarvan een fraaie, koperen huisklopper bij wijze van schel dienst moest doen.

Dat de veiligheid voor persoon en goed daardoor werd verhoogd valt licht te begrijpen, en was dat in oorlogstijd vooral gebiedend noodzakelijk, want afgedankte, onbeheerde krijgsknechten,door plundering en roof verarmde landlieden, geraffineerde schurken en rabauwen nestelden zich bij voorkeur in de Veluwsche bosschen, slopen de steden binnen en voerden er niet veel goeds uit.

Wel werden van tijd tot tijd dievenjachten ondernomen, werden gegrepen boosdoeners gegeseld en gebrandmerkt, sommigen spleet men ook wel de neus, waardoor ze een blijvend Kaïnsteeken ontvingen, maar alle strenge middelen tezamen bleken dikwijls onvoldoende om zulke ruwe gasten buiten de poorterije te houden, zoodat de koopman wel gedwongen was, wilde hij gerust slapen, licht en lucht tegelijkertijd met het dievenpak buiten zijne kleine vesting te houden.

De ijzingwekkende brand, die Harderwijk in een paar dagen tot een gloeiende aschhoop maakte ( 1503 ) gaf het inwendige dezer plaats na verloop van eenige jaren eene andere gedaante, want Burgermeesters en Schepenen gaven last, dat alle gebouwen voortaan in steen zouden verrijzen.

Eene kleine wandeling door de stad is voldoende om nog heden hier of daar van die ruime, hooge voorhuizen op te merken, al heeft de houten gevel ook voor een andere plaats gemaakt. Veel van het typische schilderachtige der voormalige Hanzestad is door genoemde brand, door de ellenden des krijgs, het verloop van den buitenlandschen handel en verval der visscherij verloren gegaan. Zoowel van de land – als zeezijde moet zij volgens oude historieschrijvers een bijzonder fraai gezicht hebben opgeleverd. De Over – Veluwe toch was nog niet ontdaan van haar woudpracht, geen mulle zandhoopen waren opgeworpen om alle plantengroei in de geboorte te verstikken, vruchtbaar weiland omzoomde nog den noordelijken walmuur met zijn kanteelen en uitspringende bastions de zee droeg tal van schepen met de Geldersche vlaggen en die der vreemde Hanzesteden hoog in top; boven de vele torenspitsen, die in de 15de eeuw de plaats aanduidden der rijke en machtige kloosters, die tijdens hun hoogste bloei een derde der oppervlakte van den geheele stad innamen, stak een reus uit, reeds voor visschers en varenslieden zichtbaar op twee en een half, tot drie uur afstands van de kust. Het is de hoogste domder in 1415 gestichte Lieve Vrouwekerk tusschen de Smedepoort en de Hoogebrugge, welke toren boven walmuur en geboomte uitstekende verhevenheden beheerst.

De stad telde een zestal poorten, drie aan de landzijde en drie aan de zeezijde, welk getal zeer aanzienlijk mag heeten voor eene plaats van betrekkelijk kleine uitgebreidheid, maar dat wijst ons weer op van hoeveel beteekenis Harderwijk was ten tijde van zijn grootsten bloei; hoe het drukke handelsverkeer drie toegangen noodig maakte voor de scheepvaart en de “uytheemsche commercie”terwijl ze van de zijde naar het Sticht en de overige kwartieren, door drie, voor dien tijd flinke en fraaie heirbanen de levendige gemeenschap onderhield met Holland, de Bisschopstad en Overijsel.

Men stelle zich in die breedte met zwaar geboomte beplante zandwegen vooral niet doods en eentonig voor, er ging daar vrij wat meer om dan tegenwoordig, terwijl de Zuiderzee in den egel het tooneel van eene levendige handelsbeweging weldra gedurende den Vrijheidsoorlog machtige vloten op zijne golven zal dragen, die den Spanjaard ontzag zullen inboezemen voor de Hollandsche piraten, die rappe zonen der zee, onder wie ongetwijfeld ook menig Harderwijker behoorde.

De visschers, wier getal minstens een derde deel der bevolking uitmaakte, woonden vóór 1400 meest buiten de vesting. Toen omstreeks het jaar 1845 eene opmeeting plaats had van een deel der zeeoppervlakte, tusschen den havenmond en ’t verlengde van het voetpad langs de buiten – sociëteit, ontdekte men het plaveisel van zeer oude wegen, leidende in noordelijken richting.

Fundamenten van voormalige woningen werden mede gevonden, en gerust mag men dus hieruit het besluit trekken, dat ook buiten de Waterpoorten dicht – bevolkte wijken hebben gelegen; het machtige St. Jorisgilde heeft daar wellicht zijne plaatsen van opslag gehad voor de koopwaren, komende van “de landen van oversee”, de visschers hadden er hun rookerijen, die om het brandgevaar te beperken daar minder te duchten waren, dan in het hart der poorterije.

En dewijl men zich moeilijk eene Hanzestad kan voorstellen die voor een goed deel haar bestaan zocht en vond in zeehandel en vischvangst, zullen de wateren hebben bedolven de werven voor den scheepsbouw, want genoemde sunte Joriëns broederschap telde ook onder hare leden “de buyten – landvaarders, stuyrmans, bootsmans, schypmans, ende tymmermans, die schepen tymmeren!!”.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *