Harderwijk als hanzestad 4

 

 

 

Hoofdstuk 4

De troebele tijden die in aantocht waren, dwongen de ondernemende, kloeke kooplieden en de stoere visschers beschutting te zoeken binnen de wallen.

De laatsten vestigden zich metterwoon eerst in de Kleine, later in de Groote Oosterwijk en om het St. Agnietenklooster, thans het Rijkshospitaal.

De zee woeliger geworden door verbreeding der gaten bij de eilanden Ter IJsel ( Texel ), Vlieland en Terschelling, sloeg ook voortdurend aanzienlijke stukken van den veengrond weg, behoorende tot Harderwijks voorland, en dwong hen dus ook al om, wijkende voor het water, elders een veilig heenkomen te zoeken. De platte grond der stad, zooals ze was in 1725, toont duidelijk aan welke veroveringen de zee toen reeds had gemaakt, daar de vesting zich spiegelt in den zilten vloed.

Maar hoe nader een zee, hoe verder er eigenlijk af; vruchtbaar weiland was verloren gegaan, het welk zich uitstrekte tot plaatsen, waar de Zuiderzee voor vaartuigen van 5 tot 10 voet diepgang gemakkelijk bevaarbaar was. Het landverlies mocht met eene aanwinst voor de veiligheid heeten, maar aan handel, scheepvaart en visscherij werd de genadeslag toegebracht. Gelderlandsch bloeiende zeehaven wordt van nu een landstadje aan zee.

Tusschen 1400 en 1500 waren nog geen lange ver in ze vooruitstekende en op stevig paalwerk rustende bruggen noodig, maar wel vond men tamelijk grooten afstand der tegenwoordige waterpoorten houten landhoofden, die tot aanlegplaats moesten dienen van de talrijke veerschepen, schokkers, botters en buizen, terwijl de grootere koggen, de Oostzeeschepen, iets verder dan de kaden geankerd of aan zwaar paalwerk gemeerd lagen.

Letten we nu even op  een drietal der oude gilden dezer plaats – later komen wij er nog eens in bijzonderheden op terug – namelijk dat der mandenmakers met St. Paul tot beschermingheilige, dat der dragers met Christoffel tot geschutspatroon en dat der voerluyden onder Willebrord, dan kon men zich gemakkelijk voor den geest roepen de buitengewone drukte, aldaar in die dagen heerschende.

Op platboomde vaartuigen, een soort van zolderschuiten, wordt de lading van de handelskade aangebracht naar de groote koopvaarders, of van dezen naar den wal vervoerd, vletten varen onophoudelijk heen en weder om negotie te drijven, of varensgezellen van boord naar den wal te roeien.

Granen, ruwe wol ( denk aan de Wolleweverstraat, Vollerstraat en de Vollersbrink ), wijn, bier, ongelooide huiden, stockvis, touwwerk, ijzer en krijgsmaterieel zijn stapelproducten, welke aangevoerd worden meest uit de buitelandsche havens, terwijl hout, visch (“ty, y – en fygoed”), lakens, linnen, looischors, kalk,bouwsteenen ( hier bloeiden steenbakkerijen en kalkovens ) en vee in groote hoeveelheid worden uitgevoerd.

Reeds vroeg in den morgen kon men de dragers daar bezig vinden; het zijn bijen, die zorgen dat het behoorlijk wordt gevuld, en zooveel nijvere handen eischt dat ’t schoone werk dat de gilde der dragers weldra niet minder broeders tellen zal, dan dat der kooplieden en schippers zijn.

Wel mocht soms voor korten tijd de nering wat slap zijn, zoo bijv. in 1438, toen de Hollandsche en Geldersche Hanzesteden in onmin raakten met het machtige driemanschap Hamburg, Lübeck en Bremen, maar of door het zenden van Gildemeesters en Schepenen, of door met vereende krachtsinspanning der zustersteden eene geduchte oorlogsvloot daarheen te doen stevenen, waar de handel, de hoofdzenuw des volks welvaart, belemmering ondervond, kwam men dat euvel weer spoedig te boven.

Harderwijk onderhield de handelsbetrekkingen met Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Kampen door dagveren; dagelijks reden zwaar beladen wagens, door een zes of achttal krachtige paarden getrokken naar Utrecht, Arnhem en Deventer, terwijl eenmaal’s weeks zulk een vrachtkar naar Cleefsland, naar Munster en naar Keulen reed.

Sedert Harderwijk in 1440 het buitengewoon privilegie ontving, dat alle visch gevangen tusschen Muyden en Kampen hier moest worden aangevoerd, en geen andere mocht worden verkocht binnen de Geldersche landschappen dan van Harderwijk verzonden, kwamen de broeders van ’t mandenmakersgilde handen te kort, de rookerijen verrezen als uit den grond en het Portugeesch zout werd bij vele scheepsladingen aangebracht. Hoe levendig het was op de breede, overal goed belommerde en flink onderhouden landwegen kan men gemakkelijk nagaan.

Dat de in den regel tamelijk oorlogzuchtige en rumoerige Geldersche Hertogen ookwel oog hadden voor het handelsbelang hunner onderdanen, vooral dat der poorters van onze stad, bleek o.a. ook daaruit, dat Hertog Arnhout alle ingezetenen van Harderwijk door geheel Gelderland tolvrij verklaarde, zoowel te water als te lande: “mits vertoonende toleickenen ende besceyt van eygen goed”.

Reeds vroeger wezen wij er op hoeveel de veiligheid vooral op ’s Heeren wegen te wenschen overliet; daarom werd nog in 1466 door Burgermeesters en Schepenen hernieuwd plakkaat afgekondigd, dat alle uitheemsche studenten en enkele “scholarchen aan lijf ende goed souden verzekert zijn door een vast gheleyde van soudenieurs en gewapende poorters”daartoe tijdelijk in dienst genomen. De voerlieden waren ook zoo verstandig, zoo min mogelijk alleen te reizen, maar hunne tochten naar ver afgelegen plaatsen, zoals Keulen en Munster, in gezelschap te ondernemen, terwijl niet zelden, bijv. in oorlogstijd, eene afdeeling speerruiters of gewapende burgerwachten onder een hopman of vaandrig de karavaan dekte.

Eene kleine historische uitweiding gaat vooraf, om de verhouding aan te geven tusschen het volk en de vorsten die het regeren, of beter besturen, want in Spanje heeft Karel V de macht der gemeenten nog niet gebroken. In Frankrijk heeft de sluwe Lodewijk XI door list en geweld het aanzien der Kroon nog niet verhoogd, terwijl de Bourgondische Hertog, Phillips de Goede, eerst begint zijn invloed te vergrooten, Zeer in het nadeel der latere volksbelangen.

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *