Harderwijk als hanzestad 10

 

 

 

Hoofdstuk 10

Van belang is het te weten, hoezeer de welvaart des poorters sedert het begin der 15de eeuw was toegenomen, en we vinden daarin eene kleine aanwijzing in het voortdurend toenemen der gruyt, de accijns of impost op het bier, welke belasting van 1418 – 1436 van 180 tot 410 pond vlaamsch was gestegen; en toch zagen wij vroeger reeds, dat van elk vat niet meer dan 4 of 8 cent behoefde opgebracht te worden.

Het drinken van bier was vroeger veel meer gebruikelijk dan thans, bier was de volksdrank bij uitnemendheid. Het Harderwijksche brouwsel had naast ’t Barneveldsche een goede naam, waaruit blijkt, dat onze stad het monopolie van het brouwen niet zoo heel lang bezeten heeft.

Elk bedrijf, elke nering werd aan het platte land, ja zelfs aan de stadsvrijheid onttrokken en hierheen geleid. De prachtsommen, die deels in den beurs van den Vorst, deels in de kas der gemeente vloeiden, zien we bijna elk jaar aangroeien.

Evenals in de Hanzesteden van Holland, Vlaanderen, Brabant en Duitschland vestigden zich de beoefenaars der verschillende ambachten en bedrijven in bepaalde stadswijken, zoo b.v. de visschers in de buurt der beide zeepoorten en om het Agnietenklooster, de wevers woonden in de Wollewever – , de lakenvollers in de Vollerstraat, de kleermakers in de Snijderstraat, schoenmakers en vleeschhouwers in de straten naar hun beroep genoemd, terwijl wapen – ,huis – en scheepssmeden hunne werkplaatsen en woningen hadden in de Smeepoortstraat en op den bij de poort gelegen Brink.

Nu hadden zich daar niet enkel smeden, timmerlui, visschers enz. gevestigd, maar zij maakten een groot gedeelte van de bewoners dier buurten uit; daar stond ook het gildehuis van elke broederschap, daar woonde dikwijls de dekens en overlieden van het gilde, daar werden eerst de belangen besproken van elk handwerk of bedrijf, alvorens de magistraat daarin verandering of wijziging wilde brengen.

Op den Voller ( vilders ) brink stonden de groote lakenhallen, daar hield men de wolmarkt, daar woonden de uit denraad gekozen keurmeesters, of wardeins, wier ambt hoofdzakelijk bestond in het regelen van alles, wat betrekking had op den handel in ruwe wol en afgewerkte lakens, welke na gekeurd en deugdelijk bevonden te zijn van het stadszegel werden voorzien.

Als een ander bewijs voor den goeden klank, dien onze poorterije bezat voor dezen tak van nijverheid, moge ook het volgende worden aangevoerd, n.l.; dat enkele schattingen, jaarlijksche renten en lasten betaald werden met “gesegulde Harderwijcker lakenen”.

Wat Leyden was voor Holland en Zeeland, Brugge voor Vlaanderen en Brabant, dat was Harderwijk voor het Hertogdom Gelre en het Bisdom Utrecht.

Slechts een zeer klein gedeelte van hetgeen verwerkt was werd niet uitgevoerd, maar maakte een deel uit der bezoldiging van de magistraat en van vele stedelijke beambten als; boden, scholarchen, wijkmeesters enz., die jaarlijks een nieuwe tabbaard of mantel ontvingen.

Over het algemeen was de kleeding, zoowel die van overheidspersonen, van hoplieden, vaandrigs, hand – en voetboogschutters als die der poorters veel schooner, dat wil zeggen meer karakteristiek en schilderachtig dan in onze dagen.

Men behoeft slechts de regentenstukken onzer oude meesters, de schuttersmaaltijd van van der helst, de schilderijen van de Bruggenaars Jan van Eyk en Memlingk te hebben gezien om zich daarvan te overtuigen.

 

De boeren bleven zelfs gedurende de 15de en 16de eeuw meer eenvoud, zoowel in snit als in stof hunner kleedij bewaren, want het gesloten lederen of grove wollen wambuis, de tot de knieën reikende hozen, de kousen van ongebleekt ramswol en houten klompen waren hun voornaamste dracht,waarin des zomers en s’winters geen ander verschil bestond, dan een lederen of wel een wollen opperkleed. De boerin droeg een tamelijk laag uitgesneden jak van wol of linnen met korte mouwen en kleine slippen, een wijden tot even over de knieën afhangende wollen rok, van donkere kleur, kousen van dezelfde stof, lompe schoenen met stalen, later zilveren gespen, een gekleurde halsdoek, zwarte klapmuts en een hoed van gevlochten stroo.

Eerst veel later, toen de landbouw van grooter betekenis begon te worden, bracht het landvolk in de kleederdracht verbetering aan, de stoffen werden kleurrijker en fijner, terwijl de vrouwen zich op feestdagen tooiden met zilveren en gouden hoofd – en halssieraden.

Geringe poorters droegen een kort, wijd wambuis van linnen of kalfsleder, een korte broek met kuitgespen, kousen van fijner wol, lederen schoeisel en een platte muts, die later vervangen werd door een breedgeranden, vilten hoed, terwijl hij op straat een korte mantel droeg van blauw laken, de kleur van de stad.

De burgervrouw had meer smaak in hare kleeding en maakte vrij wat werk van hare garderobe; keurslijf, halsdoek, jak en rok werden gemaakt van helder wit linnen en geverfde of ook wel gebloemde stof; het gevlochten haar, saamgebonden op het hoofd, bedekte zij met een los omgeslagen en onder de kin licht geknoopten, witte of blauwe doek; op zon – en kerkdagen ontbraken nooit de zilveren krulijzers, gouden oorbellen en de mooie kap die dan tot hoofdbedekking diende; het opperkleed reikte nauwelijks tot aan de voeten, het werd aan den hals zoowel op de borst als op de rug ingesneden, om het fraaie keurslijf goed te doen uitkomen. Ook werd het operkleed terzijde opgehouden, om te pronken met den fijn geborduurden en gebloemden onderrok.

Het buis van den edelman was van fijn met goud – en zilverdraad gestikt laken, terwijl een rand van kostbaar bont het geheel omzoomde; de mouwen van dit kleedingstuk waren opgepoft tot aan de schouders, terwijl lubben van kostbaar kant de handen gedeeltelijk bedekten. Om het middel was een brede gordel van zijde of fluweel geslagen, waaraan een sierlijke geldbuidel bevestigd was, het opperkleed, de tabbaard, was eveneens van fluweel en dewijl de knieën zichtbaar bleven, kon men nog een gedeelte zien van de fijne hozen met zijden strikken versierd en van de gekleurde zijden kousen; zijne voeten staken in lage, zeer puntige schoenen, versierd met gouden gespen en keurige rosetten, een ronde muts, zonder keep en getooid met eenige glanzenden vederen voltooide zijn kleeding.

Rok en mantel der edelvrouwen kwamen in snit tamelijk wel overeen met die der poorteressen, maar de stoffen waren kostbaarder, zij mocht gebloemd damast en bontwerk dragen, haar alleen was geoorloofd aan gouden en zilveren sieraden ook juweelen toe te voegen, het haar werd in twee afhangende vlechten of geheel los gedragen kammen van fraai ingelegd schildpad, ivoor of goud hielden het weelderig, natuurlijk hoofdtooisel in bedwang; de kaproen, waaraan met zilveren naalden de sluier kon bevestigd worden, was sierlijk van vorm en kostbaar van stoffage, opperkleed en rok waren gemaakt van zijde en fluweel, afgezet met bont en Brabantsche kant; een gouden halsketen, versierd met een groot kruis, was om den hals geslagen en hing met twee of drie wrongen af tot op den borst; bovendien had zij om ’t middel een gouden keten, waaraan met juweelen haak haar geldtas en sleutelring bevestigd waren.

Rechter, baljuw, schout en schepenen, droegen evenals de beide burgermeesters een langen tabbaard van fijn zwart laken, terwijl mindere beambten een wijden mantel hadden van grovere stof, die donker blauw en ook wel groen geverfd was. Een korte broek met kuitgespen en lage schoenen was eene dracht aan allen gemeen.

Het bestuur der stad verschilde zeer veel van het tegenwoordige, grooter verschil bestond echter in de rechtsmacht en het krijgswezen, welke laatste gedurende de 15de eeuw bijna geheel geregeld en bekostigd werd door de magistraat.

Het hoofd der poorters, tot ongeveer 1400 poortermeester geheeten, was ontstaan met de burgerij, werd uit haar midden gekozen, waakte steeds voor de trouwe handhaving der verkregen en gekochte stederechten en had vrij wat meer belang bij eene goede verstandhouding met de poorters, wiens eischen hij niet zelden na overleg met Schepenen, Raad, Hoofden der Gilgen en Gemeensluyden van de hand wees.

Eerst stonden de Burgermeesters – elk jaar werden er twee gekozen uit de magistraat – onder, later naast en in de 15de eeuw boven de schepenen. Vooral tijdens de Regeering der Bourgondische Hertogen in Gelderland, waren zij groote Heeren, die hunne stad meer macht hadden, meer gezag uitoefenden, dan de Vorsten, wier handen zoo dikwijls gebonden werden door de onwil hunner onderdanen en door handvesten, vroeger door andere Vorsten aan elke poortersplaats verleend.

De magistraat in Harderwijk bestond behalve uit 2 Burgermeesters, uit een zeker getal Schepenen en een Raad; deze maakten tezamen met den Schout het regiment, de Regeering uit. We lezen n.l., dat genoemd regiment “naar alder herkommen, gewoonte ende usantie dezer stadt, alhier pleegh toe wesen van achtienen, aan dryen delen gedeylt”.

De stad had 12 Schepenen, uit wie telken jaren de oudste en de jongste tot burgermeester werden verkozen, waardoor het bestuur meer van hen afhankelijk was, maar weldra ging die bevoegdheid over in handen der poorters en werden zij door hen uit hun midden gekozen.

Aan het hoofd der geheele magistraat stond vroeger ook de Baljuw of Schout, althans zij waren als vertegenwoordigers van den Hertog, voorzitters der bijeenkomsten in de raadskamer maar naarmate de rechten van Harderwijk uitdijden, verminderde het vorstelijk gezag, want na 1450 zijn Burgermeesters voorzitter geworden; de Schouten macht nam sterk af, terwijl het gezag der Schepenen allengs meer tot de rechtspraak beperkt werd.

Toch bleef de Schout krachtens zijn ambt hoofd der rechtelijke macht, al was een groot deel van zijn vroegeren invloed in handen overgegaan van het bekende twaalftal; niet zelden kwam hij daarmee in botsing, wanneer volgens zijn oordeel het recht van den Vorst werd beknibbeld, wanneer de opgelegde straf en geëischte boete van de veroordeelde te gering waren. De Schepenen toch waren zelden tegenover poorters der stad, waarzij met macht en gezag waren bekleed; het waren burgers evenals zij, en wanneer dus het gepleegde misdrijf weinig nadeel toebracht aan het algemeen belang, werd zooveel mogelijk door den vingers gezien.

De verhouding tusschen hen en de Schout was zelden vriendschappelijk wat ons niet kan verwonderen, wanneer we weten, dat de laatste, ofschoon voorzitter der bankspanning, den eed van trouw had af te leggen in handen der Schepenen, waarbij hij beloofde “zich wel in alles te sullen reguleeren na die instructie bij hen beraamt”.

Ook het volk zag den schout liever gaan dan komen, hij was in den regel nooit de lieveling, het troetelkind der poorters, zooals o.a. blijken kan uit de spotnamen hun vaak gegeven. Zekere Henrich Arentsen Haan werd in de wandeling nooit anders genoemd dan Magere Hein.

Uit alles blijkt, hoe het aanzien van den Vorst en zijne vertegenwoordigers in Harderwijk evengoed als in andere steden geregeld afnam, die der vroedschap voortdurend aangroeide, de richting van de 15de en 16de eeuw loop eindelijk uit op het onbetwist gezag van de stedelijke raad, welke macht, zooals reeds gezegd is, in de 17de maar vooral in de 18de eeuw aanleiding gaf tot eene aristocratische familieregeering.

De Bourgondische Hertog Karel de Stoute bracht weldra eenige wijziging in het bestuur onzer stad, wellicht met het doel eenig toezicht te houden op de handelingen der gilden, die gelijk inzijn overige staten zich wat meer dan hem wenschelijk toescheen met regeeringszaken bemoeiden, terwijl zij tevens het zich steeds verder uitbreidend gezag van de magistraat min of meer binnen de perken moest houden.

Reeds in 1490 moesten de 11 gilden overgaan uit hun midden 24 goede mannen kiezen, die Burgermeesters en Schepenen met hun raad terzijde stonden, die nauwlettend toezicht hielden op de inkomsten en uitgaven, mede het beheer hadden over de stedelijke eigendommen.

Uit de 24 gildebroeders werden jaarlijksch 2 rentmeesters gekozen, en wel één door de Schepenen, en één door de gilden zelven. Juist doordat elk jaar nieuwe beheerders moesten optreden werd de controle scherper, werd beter dan vroeger gelet op de stedelijke kas en raakte de Hertog beter op de hoogte van de draagkracht der poorters, wier beurs dan ook, meer dan hun lief was van tijd tot tijd te zijnen behoeve moest worden geopend.

Om de zelfde reden – een deel der verloren macht over gemeenten te herwinnen – wilde hij het aanzien van Baljuw of Schout verhoogd zien en liet zich niet het recht ontnemen deze zelf te kiezen uit hen die voor hun ambt de hoogste pachtsom wilde betalen. Dat geld en ook een deel der opgelegde boeten vloeiden met nog tal van andere inkomsten in de vorstelijke kas, die niet zelden een waar danaïdenvat geleek.

Toch werd de rechtspraak onder de Bourgondische Oostenrijkschen Vorst, den lateren Maximiliaan, veel verbeterd, al getuigd zij van groote ruwheid der zeden, en door het stelsel van boeten ook van schraapzucht.

Niet meer in de herberg, waar bij de rechtspraak minder publiek kon zijn, maar eens, later drie maal in de week op den vrije heirweg, te weten, op de Broerderen, voor het raadhuis, bij klimmende ( opgaande ) zon de bank worden gespannen. Later werden de zittingen gehouden in der Schepenenkamer, eene der vertrekken van het raadhuis, hetwelk in de 15de eeuw weinig ruimte aanbood; want achtereenvolgens werden drie perceelen aangekocht, en toen de brand van het rampjaar 1503 alleen de gevel spaarde, werd het geheel herbouwd en in drie afdeelingen gescheiden, te weten: Raadkamer, Richtskamer en Wijnhuis, in welke laatste afdeeling wellicht de boden, de dienaren van den Schout en de getuigen moesten verwijlen, gedurende de zitting van Burgermeesters en Schepenen en de Bankspanning.

De straffen bestonden in boeten, schadeloosstelling aan de beleedigde partij, verschillende lijfstraffen, waaronder de pijniging eene voorname plaats bekleedde, verbanning en de dood.

Slechts de gewichtigste plaatsen in het Hertogdom hielden er een scherprechter, een beul, op na.

Harderwijk, de tweede stad van ’t Veluws kwartier kon zulk een officiant niet missen; van tijd tot tijd werd hij uitgeleend om elders zijn bloedig handwerk te verrichten, terwijl de belooning daarvoor ontvangen voor een deel ten bate der gemeentekas kwam.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *