Het Leerlooien

 

 

Het Leerlooijen.

 

Het dier vele nuttige handwerken, welke in ons vaderland met veel ijver en goed gevolg uitgeoefend wordt, en waardoor vele handen arbeid ontvangen is het leerlooijen, of het leder bereiden van de huiden van het rundvee, ossen, enz.

De huiden, welke daartoe in het najaar worden opgekocht, worden door den leerlooijer eerst van de hoornen en staarten ontdaan, vervolgens aan eenen waterkant uitgespreid, waartoe verscheidene handen, die elk haar bijzonder werk hebben, zamen arbeiden.

Vele handen, zegt het vaderlandsch spreekwoord, maken den arbeid ligt, zoo is het ook hier gesteld, de eene werkman rijgt de huiden door het hoorngat aan een touw, een ander weder spreidt dezelve uit in het water, met het haar naar boven gekeerd, ten einde dezelve des nachts in het water te laten liggen en eene zekere ontbinding te verwekken, waardoor het haar der huiden loslaat. Tusschen beide worden deze huiden elken dag opgehaald, om dezelve te laten uitzijperen.

 

Na verloop van eenige dagen legt men ze met de haarzijde naar boven, naast eene kalkkuip, waarna zij met dunne kalk bestreken, en vervolgens in de kalkkuip op elkander gelegd worden: om ze verder van bloed te zuiveren, te weeken en het haar te laten losbijten.

Zoo laat men ze eenen geruimen tijd in de kuip gekuild, tot dat het haar los genoeg is: als wanneer men dezelve op den zoogenoemden haarboom brengt, om onthaard te worden. Ook dit haar wordt zorgvuldig bewaard, gewasschen en gedroogd.

Genoegzaam deze zelfde verrigting heeft er plaats omtrent de gezouten en de gedroogde huiden, welke laatste men uit de beide Indiën ontvangt, alleen met dit onderscheid, dat men langer tijd behoeft om ze in dien toestand te brengen, waarin de ontharing met haarmessen kan plaats hebben.

De huiden aldus van haar gezuiverd zijnde, worden dezelve ook met vleeschmessen van het daaraan overgeblevende vleesch, en de vliezen en vezels ontdaan, hetwelk als eene der voornaamste verrigtingen van den leerlooijer wordt aangemerkt: naardien eene onervarene en onbedrevene hand zoo ligtelijk hier te verre in, of wel door de geheele huid heen snijdt.

Tot zoolleer, voor schoenen of laarzen bestemd, kiest men de zoogenoemde ruggen, welke daartoe geschikt zijn; terwijl men de andere onder de twijfelaars rangschikt, die men tot tuig- of zadelleer bereidt.

De ruggen of de huiden voor zoolleer, legt men doorgaans, als het sterk vriest, in den kalk, waarin men ze zoo lang laat liggen, als de vorst aanhoudt tot dat zij genoegzaam gezwollen zijn; terwijl men ze dan tusschen beide meermalen opslaat. Na dat dezelve nu genoegzaam uitgekalkt, en daarna eenige dagen op nieuw in het water geweekt, en uitgespoeld zijn, worden dezelve eerst naar de eigenlijke looikuipen gebragt, en op de nerfzijde gemalen run bestrooid.

Ditzelfde heeft plaats met de twijfelaars: ook deze worden, nadat zij genoegzame voorbereidende bewerking ondergaan hebben, in de run of eek, (fijne bast van eikenboomen) door sommigen eerst in de kif ( uitgelooide run) gezet, waarna men er een deksel van planken of steenen oplegt, wordende derzelve echter meermalen opgeslagen, om er telkens nog eenige ponden frissche run door te roeren.

De tuighuiden ondergaan, behalve deze gewone bewerking, ook nog eene andere, die men konfijten noemt, en daarin bestaat, dat men ze eenige dagen in een mengsel van hoendermest met water zet, tot dat dezelve llenig of mat genoeg zijn geworden.

Ook de huiden tot overleer enz., worden even als de tuighuiden behandeld; doch deze vorderen, dat men ze op ongelijke en dikke plaatsen, afschaaft met een verwitmes.

Wanneer nu deze huiden, hetzij ruggen of twijfelaars, eenige weken, hetwelk ook van de luchtgesteldheid en het weder af hangt, in die eerste run gestaan hebben, worden dezelve opgehaald, afgeveegd, omgekeerd, en op de vleeschzijde gestrooid. Nadat zij nu nog eenige weken in deze tweede run geweest zijn, worden zij nogmaals op de nerfzijde bestrooid, hoewel minder sterk dan de vorige keeren. Deze is de derde run, waarinreeds de ligste gaar worden, de zwaardere krijgen nog eene vierde strooijing, en zijn dikwijls veel later uitgelooid of gaar.

De uitgelooijde huiden worden alsdan afgeklopt, op stokken te droogen gehangen, glad gemaakt en van plooijen gezuiverd, afgeborsteld en genoegzaam droog zijnde, op elkander gestapeld, waarna de werkzaamheden van den leerlooijer ten einde is, en de huiden ter verkoop geschikt zijn.

De witlooijer looit alle weeke en zachtere leersoorten: zooals zeem – leder en andere soorten, die ook tot kleedingstukken gebruikt worden.

In vele opzigten komt dit witlooijen met de beschrevene bewerkingen overeen, en schikt zich veelal naar de onderscheidene soorten van leder, welke men bereidt.

Tot de voornaamste leersoorten behooren het Russische jugtleer; – het Hongaarsche leer, dat in de aluin wordt verwerkt, het Engelsche zoolleer enz. Tot de fijnere soorten behooren het Deensche leer, waarvan men handschoenen maakt; het Fransche of Erlanger leer, van lams- en geitenvellen gemaakt, dient tot de zoogenoemde glacé – handschoenen. Het maroquin – leer ontleent deszelfs naam van de stad Marocco, alwaar hetzelve van geitenvellen vervaardigd wordt; men heeft maroquin van onderscheidene kleuren: ook het Corduaan leder is eene uitstekend schoone soort, en heeft met de voorgaande veel overeenkomst, het draagt deszelfs naam naar de Spaansche stad Cordova.

Andere soorten, als het Turksche of Oostersche chagrin enz., gaan wij hier voorbij; maar willen u alleen nog doen opmerken, dat iedere soort van dieren, ook eene bijzonder soort van leer oplevert, hetwelk meer of minder fijn en van hoogere waarde is, naarmate van deszelfs zeldzaamheid, gebruik, of meer kostbare en moeijelijke bewerking.

 1835.

XXXX.

 

Dit bericht was geplaatst in oude ambachten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *