Het Loo.

 

 

Het Loo.

door

H. van de Veluwe.

 

Tot weerziens!” Dat waren de laatste woorden mijner bijdrage in den vorigen jaargang van dezen almanak, nadat ik beloofd had, met mijne lezers van toen, in een volgenden jaargang eene wandeling te doen door de lanen van het vorstelijk park en de wegen der Hoog Soerensche bosschen.

“Tot weerziens!” dat was ook eens mijn laatste groet, toen ik Apeldoorn metterwoon verliet, omdat een andere werkkring mij elders riep, en ik slechts noode kon scheiden ven eene plaats, wier herinneringen met gulden letteren in het boek mijner levenservaringen staan opgeteekend.

En nu heb ik mij nedergezet, om mijne eerstgenoemde belofte te vervullen, komt mijn laatstgenoemde groet mij voor den geest, want die groet is bewaarheid. Ik heb Apeldoorn weergezien, ik heb nogmaals gedwaald door de heerlijke oranjelanen en langs de schoone bloemparken, door de groenende weilanden en langs de breede landsdouwen, die het park van het Loo bezit. Ik heb mij nogmaals vergast, aan de trotsche natuurtafereelen en liefelijkheden, die de Hoogsoerensche bosschen opleveren, en ik heb met hofdijk uitgeroepen: “Hoeveel voor het hoofd en het hart! Hoeveel voor de poëzie en de Fantazy!” Zalig was het mij, weder te vertoeven onder die eiken en beuken, op die grastapijten en akkers, in die zalen en gangen, zoo talrijk op het Loo en zijne omgeving aanwezig. Zalig was het mij, de stemmen van het verledene nogmaals te hooren, die mij verhaalden van de opkomst en den bloei, van de vernedering en herstelling, die het vorstelijk lustslot in den loop der eeuwen onderging, en het was mij, als daagden de schimmen van vroegere bewoners en eigenaars voor mij op en als gewaagden zij van jagtpartijen en Riddermaaltijden, van koninklijke uitspannningen en vorstelijke smart. Ja, in dubbele mate is op het Loo toepasselijk, wat Haasloop Werner van de geheele Veluwe zegt: “Daar zal de reiziger, die gewoon is in vreemde gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigen oogen kunnen overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon is. Met welgevallen zal hij opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling van land- en veldzigten die landstreek oplevert; hoe ook daar de kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der zoogenaamde woldbergen; hij zal verbaasd staan over die uitgestrekte heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt, en waarop de veelsoortige erica met hare zacht heldere purpere bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hannover, Westfalen en Nederland wordt gevonden en niet zonder belangstelling zal hij die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in hunnen natuurstaat bevinden.”

Het was op een heerlijken lentedag dat ik mij in het park bevond. De toegang was mij, als vroegeringezeten van Apeldoorn, gereedelijk verleend, en in mij zelven gekeerd dwaalde ik door de breede lanen, verrukt over het schoone, dat mij op nieuw te aanschouwen werd gegeven. In de nabijheid van het oude paleis zette ik mij onder een eeuwenheugenden boom neder, en terwijl een zacht windje de bladeren boven mij deed ruischen, was het mij, of ik eene stem vernam, die mij wat verhaalde uit het verleden. Het was mij, als sprak de boom boven mijn hoofd:

Het is nu meer dan vijf eeuwen geleden, dat het oude paleis werd gebouwd. Wie de bouwmeester was, is onbekend, even als de stichter, wel dat Jan Bentinck of Johan Bentinck, die in eene landsrede van 6 Januarij 1377 voor het eerst onder de ridderen en knapen van de Veluwe genoemd wordt, er eigenaar van was. Het paleis zag er echter toen niet zoo uit als nu het was slechts een jagtslot en de Veluwe met zijn wouden, die een herbergzaam oord aanboden voor everzwijnen en ander wild, was wel geschikt om de jagers tot de beoefening van hun edel vermaak hierheen te lokken. Dikwijls toog dan ook een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers uit, op de hand den afgerigten sperwer of den vluggen valk houdende. Het was een treffend gezigt, dien trein te zien, zoo als hij werd geopend door moedige fraai gekleurde edelknapen, die de slanke hazewindhonden of de brakken aan de lederen leibanden hielden, terwijl het gezelschap de bosschen doortrok. Heinde en verre klonk hondengeblaf en horengeschal; de grond daverde van paardengetrappel en onder dat alles mengde zich het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Het hert werd opgejaagd en vervolgd, het everzwijn door den valk aangewezen, en de honden bragten beiden den doodelijken beet, nadat de pijlen en jagtsprieten het hunne hadden gedaan ter verzwakking van de krachten. Het waren schoone tafereelen die zich toen vertoonden, en het kan ook niemand verwonderen, dat de gevreesde Geldersche krijgsoverste Maarten van Rossum, die in het nabijgelegene Vaassen zijn slot  de “Kannenburg” had, haakte naar het bezit van dit jagthuis. Nadat den 31 Augustus 1537 het Loo door “maarschalk” Jan Bentinck in leen was opgedragen aan Karel van Egmond, “ zijn hertog en heer, dien hij sints veertig jaren getrouwelijk gediend had,” en deze het tot een vrij leengoed verheven en aan het bezit daarvan het ambt van jagermeester verbonden had, wist Maarten van Rossum zijn doel weldra te bereiken. Althans, ginds boven den ingang van den linkervleugel op het binnenplein bevindt zich een steen, dat Rossums wapen en het jaartal 1538 draagt. Het slot werd vergroot en door eene diepe gracht omgeven, welke er nog in het begin dezer eeuw aanwezig was.

Niet lang mogt Maarten van Rossum zich echter in het bezit van het Loo verheugen, want in die woelige dagen was niemand van zijne bezittingen zeker. Het jagtslot kwam weder aan zijn vorigen eigenaar, en toen Karel Bentinck in 1547 kinderloos overleed, verviel het jagtmeestersambt aan den hertog van Gelre, terwijl het Loo geërfd werd door Zeger van Arnhem, regter van Veluwe. De jaren, die nu volgden, waren zonder gewigtige gebeurtenissen, alleen kan vermeld worden, dat het slot achtereenvolgens de eigendom was van den graaf van Hoogstraten Phillips van Lalaing, van de edelen van Voorst, van IJzendoorn, van Stepradt en van den heer Johan Cornelis van Doorninck, welke laatste het in 1656 bezat.

Met dat jaar wordt de geschiedenis van het Loo belangrijker. Het werd namelijk met eenige aandeelen in de Soerensch bosschen, die tot de mark van Soeren behoorden, ten behoeve van den jeugdigen prins van Oranje, later Willem III, aangekocht. En toen deze in de waardigheden zijner vaderen hersteld was, streefde hij er naar, om het Veluwsche jagtslot te verbeteren. Een hartstogtelijk jager zijnde, kocht hij voor en na alle aandeelen in genoemd bosch, die hij maar verkrijgen kon, legde er eene zoogenaamde reigerskooi aan, en droeg veel zorg voor het behoud en de voortteeling der herten, die er nog veelvuldig aanwezig zijn. Ook liet hij er eene kudde wilde zwijnen in brengen, welke er mede zeer goed tierden, doch waarvan waarvan er nu geene meer gevonden worden, zijnde, volgens Hofdijk, het laatste waarschijnlijk in 1826 door den baron van Lijnden van Oldenaller geschoten. Voorts werden er door den prins andere jagthuizen in de nabijheid opgerigt, en om de kroon op het werk te zetten stichtte hij in 1686 op eenige afstand van het slot een paleis, waarvan onze gravure eene afbeelding aanbiedt. Dit paleis, het nieuwe Loo, in onderscheiding van het oude genoemd, werd opgetrokken van steenen, die gebakken zijn in een veldoven nabij het Orderbosch in den weg naar de bouwhoeve Asselt, waarvan de sporen nog te onderkennen zijn, terwijl de laagste tevens nog bestaat, waaruit de klei of leem gegraven werd.

Dat deze nieuwe stichting vele vreemdelingen herwaarts deed komen, zal wel geene vermelding behoeven en dat het nabijgelegene Apeldoorn er de rijkste vruchten van plukte, evenmin. Het onaanzienlijke heidedorp werd met wegen, waterleidingen en werken van allerlei aard begiftigd, en onder de hoede van de opvolgende vorsten uit het huis van Oranje verhief het zich tot eene der schoonste gemeenten van Gelderland.

Het Loo werd nu eene prinselijke ontspanningsplaats en zooveel de zorgen der regering hun dit veroorloofde, vertoefde er Willem III veel en lang, even als Willem Karel Hendrik Friso, die in 1722 stadhouder werd, en vooral na zijn huwelijk met Anna van Engeland soms lang verbleef. Ook Willem IV wijdde zijne krachten aan de opluistering van het lustverblijf en als een blijk van erkentelijkheid daarvoor, verklaarden de Staten van Gelderland, bij besluit van 13 Januarij 1748, het Loo en zijne omstreken tot eene vrije en hooge heerlijkheid. Na zijn dood hield zijne weduwe er tot aan haar verscheiden haar verblijf en voltooide er als prinses gouvernante de opvoeding harer kinderen.

Was het wonder dat Willem V, die als kind in het park gespeeld, als jongeling zoo dikwijls in de lanen gedoold had, eene bijzondere voorliefde voor het Loo had? Was het wonder, dat hij het na zijn huwelijk met Frederika Sophia Wilhelmina tot zijn zomerverblijf verkoos? Immers neen, en ook niet, dat hij het uitbreidde en opsierde door vreemde gewassen en diersoorten, onder welke laatsten vooral verdienen genoemd te worden twee witte olifanten, die vrij in de bosschen van het park rondliepen.

 

Die jaren beslaan menige schoone bladzijde in de geschiedenis van het Loo. De herdenking aan die tijden geeft menige aangename herinnering. Ach! Waarom moesten zij door zoovele droevige ervaringen gevolgd worden. De jaren van 1795 tot 1813 staan met zwarte letters in de historie van Nederland geschreven en ook het Loo had zijn deel van den overmoed der Franschen, ofschoon het toch nog bewijzen van vorstelijke welwillendheid ondervond, toen koning Lodewijk de scepter voerde.

 

De Franschen bestemden het Loo, nadat zij vele verwoestingen, zoo in het paleis als het park hadden aangerigt, tot een magazijn van oorlogsbehoeften, en hoe een en ander er uitzag toen de goede maar wispelturige Lodewijk het in 1809 tot zijn verblijf koos, kan ieder begrijpen, die weet hoe soldaten huishouden en vooral hoe de Fransche krijgers niets ontzagen. Ongelukkig kon de koning zijne reusachtige plannen ten opzigte van het Loo niet ten uitvoer brengen. De torens van het oude slot werden alleen onder zijn bestuur afgebroken en in een andere vorm opgebouwd, terwijl de gracht, die er omheen liep, werd gedempt. Lodewijk ging er veel ter jagt en liet er bovendien door Fransche acteurs voorstellingen geven. Een paar anecdoten uit zijn tijd zijn niet onaardig, om vermeld te worden.

De koning had den acteurs een nieuw stuk aangewezen, dat geschreven zou zijn door een zijner adjudanten, den kolonel Ferrière, maar dat, naar men zegt, zijn eigen werk was. De rollen waren ingestudeerd, en de dag der opvoering aangebroken, doch de voorstelling werd verhinderd, want eene jeugdige actrice, mejufvrouw Olinde, die het karakter van een ongelukkig slagtoffer der liefde moest vervullen, beviel van een pand eener ongeoorloofde gemeenschap.

’s Konings kok, Darras, was beschuldigd, dat hij zijne taak verwaarloosde. Door bemiddeling van den dienstdoenden keldermeester wist hij op zekeren morgen den koning aan diens ontbijt te naderen, en legt, in het gevoel zijner waardigheid, zijn wit voorschort op een gueridon, met deze woorden: “ Sire! Men heeft kwaad van mij gesproken, en dewijl ik uw vertrouwen verloren heb, hoewel ik mij zelf niets kan verwijten, stel ik u het teeken mijner dienst ter hand en keer naar Frankrijk terug.” Lodewijk lachte en verzocht den kok in zijne betrekking te blijven, waarop deze, zijn voorschoot opnemende, ten antwoord gaf  Sire! U kan ik niets weigeren! En weder naar zijne keukens vertrok.

Lodewijks afstand van den troon en het daarop gevolgd besluit tot inlijving van Holland bij Frankrijk, bragten ook het Loo onder het bestuur van Napoleon die er twee nachten en een dag vertoefde, t.w. van den 29 tot den 31 October 1811, toen hij na de ontvangst van twee couriers met haastigen spoed vertrok, om zijn leger toe te rusten tot den togt naar Rusland.

Somber was het in die dagen op het Loo gestemd; maar gelijk in geheel het vaderland, trilde de Veluwe van Blijdschap, toen de mare ook hier werd gehoord: Holland is vrij!  En toen kort daarop de souvereine vorst op het Loo aankwam, was er geen einde bijna aan den jubel, die opging uit de harten en van de lippen der bewoners van den omtrek. De princes douairière van Willem V vertoefde bestendig op het Loo en zoo bemind was zij bij de dorpelingen, en zoo minzaam was haar omgang, dat zij algemeen bekend stond met den gemeenzamen naam van “Willemijntje.”

Wat het Loo en zijne omgeving aan koning Willem I dankt, ligt nog versch in het geheugen, dan dat dit eene breede vermelding zou behoeven. Het kanaal van Apeldoorn naar Hattem, waardoor een nieuw leven voor de Veluwe geboren werd, en dat zulk een weldadigen invloed op de verbetering van den landbouw, en den bloei der papierfabrieken heeft uitgeoefend, werd op ’s konings last en voor zijne rekening gegraven. Nooit kwam er iemand, die geholpen kon worden, vruchteloos zijne hulp vragen en de ingezetenen van Apeldoorn kende hij allen bij name. Een nieuw bedehuis voor de hervormden werd door hem gesticht, en begiftigd met een schoon orgel. Kortom koning Willem I was een even groot weldoener, als prins Willem III een schepper van de grondslagen der welvaart voor Apeldoorn was geweest.

En terwijl Willem II meer sympathie voor Noord- Brabant had, was het Loo voor diens zonen weder een lievelingsplaats. De twee prinsen Willem en Alexander zetten het werk van hunnen grootvader voort en toen de eerste als Willem III de teugels van het bestuur in handen kreeg, was het diens streven en is het dit nog, den bloei en luister van het Loo te handhaven en te vermeerderen.

Wie nu in dat vorstelijk park rondwandelt, staat overal getroffen door het grootsche van den aanleg. De koninklijke badtent, zoowel als de schietinrigting de landhoeve met haren veestapel en paardenstallen, zowel de oranjerie en bloemkweekerij, de watersprengen en watervallen, zowel als de vijver, – alles schenkt u de overtuiging dat het Loo, een der meest bevoorregte plekjes van de Veluwe is.

Ik ontwaak uit mijne mijmering en begaf mij naar de concierge, den heer Avink, met wien ik nu nog eene wandeling door het paleis zelf maakte.

Hoe tref ik hier de aanblik der receptiezaal, met het koninklijke wapen, op verschillende plaatsen aan de wand aangebragt. Is het uitzigt naar buiten trotsch en verheven, de gedachte aan hetgeen hier op den 7den October 1840 voorviel, stemt u tot diepen ernst. Hier gaf koning Willem I, moede van de staatszorg, die vooral sedert 1830 hem dubbel zwaar gedrukt had, kroon en scepter aan zijn zoon over en “als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het met acacia’s beplantte voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den ingang, door de lange beukenlaan staart, dan gevoelt ge zoo levendig, hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu het persende harnas was afgeperst.”

En als ge die receptiezaal hebt verlaten en u weldra bevindt voor de glazen deuren, die uitzigt op het park geven, waar ge tevens den blik hebt op het schoone beeld “de Faam” dat op een grootsch grasperk is opgerigt, of ge ziet in de kapel de lezenaar en bijbel, alle blijken van de dankbaarheid des volks, voor wat Koning Willem III deed, toen een deel zijner onderdanen, door het water geteisterd en van alles beroofd werd, dan rijst eene blijmoedige gedachte in u op. De woorden, door dien koning in het Willemspark te ’s Gravenhage op 17 November 1863 gesproken, maakt ge in eene omgekeerde beteekenis tot de uwe: Nooit kan Nederland genoeg doen voor het Vorstenhuis van Oranje.”

Nederland heeft oranje lief! Ziet het, daar bij het opgaan van den trap, waar de vaandels en banieren der Zeeuwschen eerewachten van 1862 zijn opgehangen.

Oranje deed veel voor Nederland! Laat het u herinnerd worden door die zelfde trofeën, waar ge de wapens vindt, uit den tijd, toen ja, Oranje vervalren verklaard was van de waardigheden zijner vadelen, maar toen Nederland ook weldra zoo geprangd was, dat het hulp en redding zocht en vond bij een twee en twintig jarigen telg uit dat stamhuis, die van Nederland de vrijheid aan het trotsche Albion bragt.

Ziet die breede rij van kamers en zalen, waarin ook de kunst eene plaats is ingeruimd door schilder- en beeldhouwerk, sla een blik in de comediezaal en in de wapenkamer – kortom, ga waar ge wilt, maar ga er heen, met een hart dat ontvankelijk is voor indrukken, en zeg dan of Hofdijk geen gelijk had toen hij uitriep: hoeveel voor de poëzy en de wetenschap!

Nog een paar oogenblikken voor eene vlugtige wandeling door de Hoog- Soerensche bosschen.

Zij zijn een bezoek overwaardig. Hoor slechts, wat de natuurkundige Martinet er van schreef: “ Honderdduizend boomen, allen verschillende van stam, takken, bladeren, kruinen; trotsche eiken van eene halve of geheele eeuw, sierlijke dennen en een altoos durend groen gekleed, ratelende populieren, hoog in de lucht bevende olmen, van eene onvergetelijke hoogte en verbazende dikte, statelijk in elkander verward, witte beuken met afschilferende schorsen, zich nederig onder anderen verheffende of nevens hen verschuilende; elders, waar de bijl gewoed heeft, jonge boomen, bij welke de zonnestralen vrijheid bekomen hebben om den grond te bezoeken; eenige zijwegen voor de vorstelijke personen van het Loo; diep, donker afgaande valeijen of zacht opklimmende hoogten, waar het gezigt beneveld, door duizende boomstammen gebroken en boven door het digte lommer belet wordt den hemel te aanschouwen; gronden met velerlei planten en mos beslagen, eene aangename spijze voor de omzwervende herten en hinden, met aard- en blaauwbessen, eene verversching voor den dorstige wandelaar, geheele velden met kreupelboschjes van verschillende jaren of jong plantsoen, dat de nakomeling hakken zal.

En niet alleen om het natuurschoon, ook uit een ander punt zijn de Hoog-Soerensche bosschen merkwaardig. Zij grenzen onmiddellijk aan het Loo en strekken zich in westelijke rigting ongeveer drie uren uit, terwijl hunne oppervlakte ruim 1000 bunders beslaat. Eenige aandeelen waren reeds door Prins Willem III aangekocht, doch het was voor Willem V bewaard het geheel in eigendom te verkrijgen. Lange tijd was de prins daarin verhinderd, door den onwil van één boer, Jacob Hendriks, om zijn aandeel over te doen. Het was den hooghartige te veel eer, van te kunnen zeggen: zijne Hoogheid en Jacob Hendriks zijn eigenaren van de Soerensche bosschen, doch na zijn dood lieten zijne erfgenamen zich bewegen door de kracht van 1000 ducatons.

De Hoog-Soerensche bosschen hebben ongetwijfeld hunnen naam ontleend aan de buurtschap, die in het midden der wouden ligt en den naam draagt van Hoog-Soeren. Deze schijnt een hoogen ouderdom te hebben, want het is meer dan vermoedelijk, dat de volksstammen, die zich in de eerste eeuwen onzer geschiedenis in ons land hebben nedergezet, ook deze streken bezocht, zoo niet bewoond hebben. In de nabijheid der buurtschap vindt men onder zeer zware eikenboomen drie hoogten, van welke men veilig mag aannemen dat het heidensche altaren geweest zijn. In vroeger tijd was Soeren eene afzonderlijke heerlijkheid, en tot in het laatst der vorige eeuw was er een kasteel of slot aanwezig, welks keldermuren nog in onzen tijd zijn opgedolven. De naam van den laatsten heer of bewoner, Straatman, leeft nog in den mond der buurtbewoners. En ook de benamingen van de gedeelten van het bosch geven aanleiding tot de overtuiging, dat hier vroeger eene afzonderlijke heerlijkheid met aanhoorigheden bestaan heeft. Een der bosschen, op korten afstand van Soeren, heet het Kerkhof; – zouden we hier niet aan de begraafplaats der vroegere bewoners mogen denken?

De namen der gedeelten van de Hoog-Soerendsche bosschen zijn zeer karakteristiek en naar de legenden van gebeurtenissen, daar voorgevallen, afkomstig, of wel aan bijzondere omstandigheden ontleend. Zoo vindt men er het Heintjes- en het Lubbertjes bosch, waar twee bevelhebbers tegenover elkander zouden zijn gelegerd geweest; – de Fraschmansheg, en de Spaansche kap, waar de krijgslieden van die natiën hunne kwartieren zouden hebben opgeslagen; – het Pandwegje, dat tot gijzeling voor een gegeven woord zou gediend hebben; – het Vanenbosch, waar de standaren en vaandels door Prins Willem III op de Keulschen en Munsterschen veroverd, moeten zijn ten toon gesteld. Andere benamingen laten haren oorsprong van zelf raden, als: Hindenboschje, de Hazendeeling, de Dassenberg, de Brouwerij, de Doelboom, de Hooiweg, de Schaapstrede, het Varkensbosch, de Konijnenberg, de Reigerskooi, enz.

Eene andere bijzonderheid der Hoog-Soerensche bosschen is de put, die in de tolgaarderswoning bij Gabel 11 gevonden wordt. Deze put die 219 voet diep is, heeft zulk eene sterke echo, dat men de woorden, die men met elkander spreekt boven den put, beter en als het ware spoediger van beneden hoort, dan uit de mond van elkander. Een nog diepere put ( 254 voet) doch zonder echo, bevindt zich bij de bouwmanshoeve het Aardhuis, toebehoorende aan Z.M. den Koning en op diens last in 1858 gegraven. Beide putten zijn wel een bewijs voor de aanzienlijke hoogte, waarop die gedeelten der bosschen gelegen zijn.

Eindelijk verdient nog melding de Chalet, die de koning heeft doen bouwen en van waar men een heerlijk gezigt heeft op het kamp bij Milligen, en van waar men zelfs, wanneer de zon in het westen duikt, de zeilen der schepen op de Zuiderzee tegen den horizon kon onderscheiden.

Natuur en kunst reiken elkander in de Hoog-Soerensche bosschen de hand, en wie niet alle gevoel voor het schoone heeft verloren, is het hier genotvol, ja zalig, om op een bed van mos onder het eiken loover uit te rusten en de overtuiging te erlangen, dat de natuur den schoonen tempel vormt en de kunst dien menigmaal niet weinig opsiert.

XXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *