Het wasschen der schapen.

 

 

Het wasschen der schapen.

 

Onder de vrolijke gebruiken van het landleven, welke het hart van den wandelaar die langen tijd in volkrijke steden was opgesloten, met vreugde vervullen, behoort ook voorzeker het scheren der schapen. Wie uwer, mijne lezers, de Veluwe gaat bezoeken, trachte vooral het Uddelermeer bij het dorp Garderen te gaan zien, waar men in de maand Junij de schapen, met dikke wol bekleed, voorzigtig te water laat en hun “de huid gewasschen wordt.” Gij zult dan getuigen zijn van luimige scherts en vrolijk gelach.

Het wasschen der schapen gaat zoo als men weet, het scheren vooraf, hetwelk kort daarop volgt. In vroegere tijden kende men naar alle waarschijnlijkheid geen ander middel om de wol van de schapen te bekomen, dan door haar, ten tijde dat zij van zelve loslaat, uit te rukken. Dit gebruik heeft nog lang bestaan op de Orkadische eilanden, en ten gevolge der ruwe handelswijze welke men hierbij in acht nam, kwam er dikwerf bloed tevoorschijn, zoodat de arme dieren veel hadden te lijden. De feestelijkheden bij de schering der schapen schijnen zoo oud te zijn als deze handeling zelve; zij is de oogst van den herder, en alzoo eene geschikte gelegenheid voor landelijke vermaken – eetmalen, zingen en dansen – welke jong en oud nader tot elkander brengen.

De tijd om den schapen de wol te ontnemen, wisselt af naar de plaats, het klimaat en het weder, doch bepaalt zich van half Mei tot het einde van Junij. De oude schilders stellen de zomermaand zinnebeeldig voor in de gedaante van eenen schapenscheerder. De natuurlijkste tijd wordt door het schaap zelf aangeduid: als de oude wol zich van de huid loslaat en nieuwe wol daarvoor in de plaats treedt, dan is het schaap rijp voor de schaar. Eenige landheeren en houders van kudden scheren vroeger dan dit tijdstip, ten einde het ongedierte te vermijden dat soms zooveel verwoesting aanrigt onder de schapen; anderen doen het later, in de hoop meer wol te bekomen. In eenige streken ook wordt de onzuivere wol om schenkel en bekken eenige weken te voren weggenomen; maar gewoonlijk neemt het scheren terstond na het wasschen een begin.

Het doel van het wasschen is, de wol op het lijf van onreinheid te zuiveren. De kudde wordt naar het water gedreven, waarbij men aan loopend de voorkeur geeft; de jonge lammeren worden verwijderd om de moeders niet door blaten te ontrusten, en vervolgens duwen de daarmede belaste personen het eene schaap voor, het ander na in het water, duiken ze onder en wasschen ze tot zij geheel schoon zijn. Dan laat men ze aan de andere zijde van den oever uitklauteren, waar zij nog eene poos verblijven en verwonderd om zich schouwen, doch vervolgens bedaard beginnen te weiden, na vooraf het water te hebben afgeschud.

Het moeijelijke en het gevaar voor de scheerders, om namelijk eenige uren achtereen in het water te staan, hebben eenigen daardoor trachten te voorkomen, dat zij de schapen in een rasterwerk afgesloten vak drijven en de wasschers in een vat of ledige ton staan. Na de wassching laat men eene week en meer verloopen, en dan neemt het scheren eenen aanvang, hetwelk somwijlen in eene schuur, meer echter onder den vrijen hemel plaats vindt. Hierbij zijn de vrouwen door het aanbrengen der schapen, behulpzaam.

Een Engelsch tijdschrift schetst op de volgende wijze de manier van het scheren. Eene kooi of schuur met genoegzaam licht is de geschiktste plaats; een deel van den grond moet met een groot stuk linnen voor den scheerder zijn bedekt. Men doet wel het linnen aan kanten vast te maken en er stroo onder te leggen, zoodat eene soort van kussen ontstaat. De vloer en schuur moet zindelijk zijn, gelijk er ook een kleine stoffer voor het zindelijk houden des kleeds moet voorhanden wezen. Is dit alles bezorgd, dan neemt een scheerder een schaap, legt het op den rug, en houdt het met zijne beenen vast. Daarop zuivert hij het dier van stroohalmen, doornen, klissen en andere voorwerpen welke zich aan de wol hechten, en knipt dan de wol van den kop en hals tot aan de schouders, even zoo van den buik en de eene zijde des schenkelbeens. Alsdan wordt de kop van het schaap zijwaarts gebogen, de scheerder plaatst aan ieder zijde van den hals aan zijner beenen, en drukt nu de eene, dan de andere zijde met de beenen vooruit, om beide na elkander, van den buik tot den rug, te kunnen scheren.

De Engelschen leerden de onwaardeerbare kunst om wol te bereiden, te spinnen en tot laken te weven, waarschijnlijk van Frankrijk. Volgens mondelijke overleveringen werd zij door Belgische koloniën in de eeuw vóór de aankomst der Romeinen derwaarts gebragt; naar geschiedkundige berigten, werd een fabrijkwerk voor wollen stoffen voor de Romeinschen armee te Vinta Bulgarum, het tegenwoordige Manchester, aangelegd.

Door de zegevierende Noormannen werd deze bedrijvige kunst nog verbeterd: namelijk waren hen Vlaamsche wevers gevolgd, welke hunne bezigheid tot hun eigen voordeel en dat des koningrijks voortzetten. De Vlamingen waren destijds om hunne geschiktheid in het bearbeiden der wol zoo vermaard, dat men zeide: “het weven is hun aangeboren.” Hun getal nam door vele belangrijke volksverhuizingen meer en meer toe, vooral onder de regering van Hendrik I en Stephanus, toen in Wales en de steden Worcester, Gloncester, Nottingham, Norwich, Bedford en andere bloeijende fabrijken werden opgerigt. Deze arbeidden voort tot den woeligen tijd van Jan en Hendrik III, toen deze tak van nijverheid werd verwaarloosd, zoodat hij eindelijk onder Eduard I en II geheel en al verviel.

In het bereiden van laken schijnen weinige of geenen veranderingen te hebben plaats gevonden, want afbeeldingen uit de vijftiende eeuw toonen ons reeds dezelfde werktuigen en inrigtingen welke men thans nog bezigt.

Belangrijke lakenfabrijken vindt men ( op het vaste land) in België ( provincie Luik), Frankrijk, in het westelijkeDuitschland en Saksen. Ons land bekleedde weleer eene eerste plaats in het vervaardigen van eene stof waarvoor de behoefte zoo groot is; maar thans is deze tak van nijverheid, even als, helaas! vele anderen, bij ons verminderd, ofschoon in Noord – Braband nieuwe lust schijnt te ontwaken. Waarom zou het tegenwoordige en opkomende geslacht niet dezelfde hoogte kunnen bereiken als onze nijvere en dappere voorouders?Slechts niet stil gestaan, aankomende jongelingen! Uwen schooltijd goed besteed, niet gepraald met verdiensten van vroegeren tijd waarop wij geen regt hebben, maar het groote voorbeeld opgevolgd, en gij zult uw vaderland in bloei en welvaart zien toenemen en roem behalen die gij zelven zult verdiend hebben.

1846.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *