Laatste levensjaren van Hertog Adolph van Gelder.

 

 

Laatste levensjaren van Hertog

Adolph van Gelder.

 

Bij eene vorige gelegenheid verhaalden wij, hoe schandelijk Hertog Adolph van Gelder, zich aan zijnen grijzen vader, Hertog Aarnout, vergreep, hem jaren lang in eene gevangenis liet versmachten, en zich in zijne plaats tot Beheerscher van Gelderland opwierp. Thans willen wij doen zien, hoe ook in dit geval de boosheid slechts voor eenen korten tijd zegepraalde.

Nadat Adolph een geruimen tijd de vermaningen van den Paus en van andere Vorsten, om zijnen vader in vrijheid te stellen, en alzoo zijne in een oogenblik van benaauwdheid uitgesprokene gelofte gestand te doen, in den wind had geslagen, zag hijzich eindelijk daartoe gedwongen. De Hertog van Bourgondie, Karel de Stoute, die zich, zoo als wij vroeger aanmerkten, meer uit heerschzucht, dan uit edeler beweegredenen, in het geschil tusschen vader en zoon mengde, eischte die vrijlating. Hij was de man niet, wien men straffeloos wederstreven kon, en Adolph moest dus gehoorzamen. Zelfs bleef het niet bij dien eersten eisch. Karel wierp zich op als bemiddelaar tusschen de beide Hertogen, en verlangde, dat beide in zijne toenmalige verblijfplaats, Hesdin in Artois, zouden verschijnen, waar hij trachten zou, eene schikking tusschen hen tot stand te brengen. Hertog Aarnout, natuurlijk op zijnen ontaarden zoon ten hoogste verbitterd, haastte zich, om zijne grieven voor den magtigsten Vorst van zijnen tijd bloot te leggen. Ook Adolph verscheen, maar met een gemoed, dat door de ondeugd verhard, en aan allerlei woeste hartstogten ten prooi was. Had hij toen nog, even als de verloren zoon in de Heilige Schrift, zijn ongelijk erkend, berouw en inschikkelijkheid getoond, hij had ongetwijfeld zeer voordeelige voorwaarden kunnen bedingen, en een geod deel van zijn gezag in Gelderland kunnen behouden. Maar hij bejegende integendeel zijnen te regt vertoornden vader, op de smadelijkdte wijze; en er vielen in de vorstelijke raadzaal tooneelen tusschen Aarnout en Adolph voor, wwarvan gelijktijdige geschiedschrijvers met afschuw gewagen. “Liever werp ik mij,” riep de laatste eens ten aanhooren van Karel uit, “met mijne vader voorover in eenen put, dan dat ik afstand doe van het beheer! Hij is vier en veertig jaar Hertog geweest; het werd mijne beurt, om te regeren.” – Door zulk een gedrag nam Adolph alle gemoederen tegen zich in. Hij bemerkte dit weldra, en begreep, dat het tijd werd, om tenminste zijne vrijheid te redden. In eene monnikspij vermomd, ontvlugtte hij het Hof van Karel, en bragt het, zonder herkend te worden, tot Namen, doch de maat zijner euveldaden was thans vol, en het scheen in eenen hoogeren raad besloten, dat hij, door eigene onvoorzigtigheid, zich geheel ten val zou brengen. Toen hij de brug over de Maas te Namen overging, vorderde men van hem eenige penningen weggeld. In zijne verwarring en angst gaf hij eenen gulden, en wilde zich daarna, zonder het teruggeven van geld af te wachten, voorwaarts spoeden. Deze mildheid van eenen monnik wekte achterdocht. Hij werd aangehouden, herkend, en naar Hesdin terug gezonden; alwaar de thans nog meer verbitterde Karel hem geheel in het ongelijk stelde, en den onmensch in eene veel somberder strengere gevangenis opsloot, dan die zijne vaders geweest was. De grijze Aarnout werd intusschen in zijn gezag hersteld, doch had van die herstelling geen genot. Hij voerde nog eenige maanden lang een kwijnend leven, en daalde ten grave, na, bij uitersten wil, zijnen zoon geheel en al onterfd te hebben. In eene vergadering der ridders van het Gulden  – Vlies – toen in de Nederlanden een zeer magtig ligchaam – werd den 4den Mei 1473, deze onterving bekrachtigd, en Adolph, wegens het leed, zijnen vader aangedaan, tot eene eeuwigdurende gevangenis veroordeeld. Ten gevolge van een en ander werd Gelderland in de Bourgondische Staten ingelijfd.

Nog was de rol van Adolph niet geheel uitgespeeld. In 1477 werd hij door de Vlamingen, die door eene Fransche krijgsmagt aangevallen waren, en een legerhoofd nodig hadden, uit zijne gevangenis te Kortrijk bevrijd. Eenige weken lang gebood hij, over een aanzienlijk leger, met hetwelk hij Doornik belegerde. Na echter op zekeren nacht de voorsteden dier stad in brand te hebben gestoken, werd hij, met weinige ruiters den terugtogt der zijnen willende dekken, door eene groote overmagt aangevallen. De zijnen lieten hem schandelijk in de steek. Hij werd weldra met eene lans van het paard gestooten, en verdedigde zich te voet met nog woeste dapperheid, tot hij eindelijk, zwaar gewond, op den grond nederstortte, en door een degenstoot werd afgemaakt. Onder het vallen deed hij zijnen wapenkreet: Gelder! Gelder! Hooren: en eerst daardoor bemerkten de vijanden, dat zij den Hertog hadden omgebragt.

Zóó jammerlijk eindigde een Vorst, wien de geschiedschrijvers noch krijgsmansdeugden, noch bekwaamheid om te regeren ontzeggen; maar die het gebod des Heeren schandelijk in den wind sloeg:  Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden.

XXXX.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *