Militaire executie Voorthuizen.

 

 

 

Verhaal

Van de militaire executie, het dorp Voorthuizen,

Op de Veluwe in Gelderland, aangedaan, in het

Jaar 1804, op last van den Franschen generaal

Marmont,

Om te dienen als bijlage, tot de geschiedenissen

Van dien tijd,door

Mr. J. J. Elsevier,

Oud Scholtus des Ambts Barneveld.

1815.

 

Aan den lezer.

 

De Hoogleeraar J. Ten Brink, eenige tijd geleden, een werkje, onder den titel van: Nieuwe Fransche Tirannij, uitgegeven hebbende, vond ik in hetzelve ook melding gemaakt van de Militaire inlegering, het dorp Voorthuizen, in het jaar 1804 overkomen. Derzelver geschiedenis heeft die heer alleen geput, uit het geen ik hem toenmaals, mondeling verhaald heb, en hetwelk ongetwijfeld, tot eene min naauwkeurige opgave van de toedragt dier zaak, in het voorzegde werkje, aanleiding heeft gegeven. Ik begreep dus mijnen landgenooten geenen ondienst te zullen doen, met de uitgave van het volgende verhaal, waarin ik, in persoon, zo zeer betrokken ben geweest. Hetzelve zal, niet alleen tot eene bijdrage van deze nieuwe Fransche Tirannij kunnen strekken, maar ook, meer bijzonder, tot die van de geschiedenisen des tijds, wanneer een onpartijdig Historieschrijver, in vervolg van tijd, de lotgevallen onzes Vaderlands, gedurende de Fransche overheersing, boeken zal. – Vruchteloos toch, zal men van dergelijke voorvallen, in de bereids uitgegevene Vaderlandsche Geschiedenis, ten onmiddelijken vervolge van Wagenaar geschreven, en met den aanvang der Koninklijke regering eindigen, eenig berigt vinden.- Wenschelijk, inmiddels, zoude het  zijn, wanneer de gebeurtenissen dier tijden, stuksgewijze werden ingezameld, om vervolgens in de geschiedrollen, tot een geheel gebragt te worden. Zonder zulke bijdragen toch, zal de Vaderlandsche Geschiedenis, over dit tijdvak, onvolledig blijven; terwijl ik mij, bovendien, verzekerd houde, dat het lezen van zulk eene menigte tafereelen van knevelarijen en geweldadige handelingen, als zich hier zullen voordoen, onze Landgenooten, meer en meer, het gevaar zullen doen kennen, van ooit weder naar de hulp eener vreemde natie te verlangen, of dezelve, ten gevolge van onzalige twisten, in te roepen; maar, integendeel, dienstbaar zullen bevonden worden, ter bevestiging van de zoo gelukkige herstelde eendragt in ons Vaderland, en deszelfs herborene onafhankelijkheid.

Ede den 10. Januarij 1815.

 

De Generaal Marmont, thans Hertog van Ragusa, in het jaar 1804, een talrijk Corps Fransche en Hollandsche Troepen, in het Kampement bij Zeyst, verzameld hebbende, bevond zich, onder anderen, het Depot van het zesde Regiment Hussaren, hetwelk een gedeelte dier Troepen uitmaakte, onder commando van den Kolonel Pajol, te Zutphen, en ten einde de correspondentie met dat Depot te onderhouden, waren er, van tijd tot tijd, Ordonnances te Amersfoort, Voorthuizen en Appeldoorn geplaatst; terwijl er bijna geen dag omging, of men moest aan die gaande en komende manschappen, nachtkwartier, vivres en fourage leveren.

Het was, op Zondag, den 1. September des voormelden jaars, dat, tegen het vallen van den avond, twee Ordonnances, behoorende tot de zoogenaamde Compagnie d’Elite van den gemelden Generaal Marmont, te Voorthuizen kwamen, en een nachtkwartier eischten, dat hen dan ook gegeven werd, ten huize van eenen welgestelde Bouwman, genaamd Klaas Gerritsen, woonachtig op het Erf Overhorst digt bij het Dorp.

De beide Hussaren aldaar komende, eischte de een, welke beschonken was, dat men voor hem en zijne Kameraad, den stal zoude inruimen, het geen door den Bouwman geweigerd werd, met aanwijzing van eene zeer goede en geschikte stalling, in de schuur bij het huis; doch daartoe was deze Hussaar niet te brengen; vloekende en tierende trekt hij zijnen sabel, hakt daarmede naar den Boer, die, vergeefs trachtende te ontvlugten, aan den linkerarm eene ligte wond ontving, en eene slag op het hoofd, die echter gelukkig afschampte, maar aan zijnen hoed zeer zigtbaar was; en hiermede niet te vreden zijnde, greep de Hussaar hem bij de borst, hem verder mishandelende.

In het oogenblik nam een der aanwezende het besluit, om den Bouwman, zoo mogelijk te ontzetten, en gaat op dezen onverlaat los, brengende hem, die in zijne mishandelingen voortging, met het mes, eene wond toe, in het dikke der regter bil, echter niet van eenige merkwaardige diepte of breedte: en het was, ten gevolge van deze verwonding, dat de Hussaar den Bouwman losliet, die zich dadelijk binnenshuis begaf. De man, welke deze daad verrigt had, was de schaapherder van dezen Bouwman, doch wiens naam mij ontdacht is.

Op het oogenblik, dat dit geval gebeurde, bevond ik mij in het Dorp Voorthuizen, waar ik van het voorgevallene, al aanstonds, berigt kreeg, en verzocht werd, om ten allerspoedigste, ten huize van den Kastelein Hendrik van Ansen te komen, alwaar de gewonde Hussaar met zijnen Kameraad, gezegd werden zich te bevinden; zijnde hij, terstond na de bekomende wond, uit zijn kwartier naar het Dorp gevlugt, en ten huize voorschreven gekomen.

Ik begaf mij dan dadelijk daarnaar toe, en vond werkelijk eenen militair op een bed liggen, gewond, naar het scheen, met een mes of dergelijk instrument, bloedende de wond, maar niet zeer sterk; zijnde de bandelier van den sabel met bloed besmet, die men mij zeide van hem te wezen.

Ik ondervroeg den gekwetsten, die toen zeer beschonken was, en mij zeer verwarde antwoorden gaf; doch die allen daarop nederkwamen, om zich te verontschuldigen, en het te doen voorkomen, als of men hem, zonder eenige reden, had getracht te vermoorden.

Mijn eerste werk was, eenen Heelmeester te doen halen, om het verband te leggen, en voorts het zoogenaamde visum repertum te doen opmaken. En daar ik al aanstonds begon te vreezen, dat deze zaak onaangename gevolgen hebben konde, liet ik terstond den Bouwman bij mij komen, zoo ook nog twee personen, welke daarbij tegenwoordig geweest waren, voorts ontbood ik den dader zelf: dan deze had zich, uit vrees, dadelijk verwijderd. Van den Bouwman ontving ik kennis van de gansche toedragt der zaak. Even gelijk dezelve hier boven is opgegeven. De beide getuigen deed ik hunne verklaring beëidigen, welke met klagten van den Bouwman volmaakt eenstemmig luidden. Middelerwijl stelde de heelmeester, die nu de wond verbonden had, mij de schouw – vedul ter hand, waarbij de wond als niet lhetaal, en voor spoedige genezing vatbaar, werd opgegeven.

Een ieder, welke bekend is, met de voormalige wijze van procederen, in zulke gevallen, op de Veluwe, weet, dat de Scholtussen in de Ambten, als geautho tiseerden van de Hoofd – Officiers der districten, alleen met hun corresponderen, die als dan de stukken en bescheiden, voor zoo verre uit dezelve eene Criminele Acte geboren wordt, plagten te zenden aan het Hof van Justitie, om daarop naar regte en raden te beschikken. Inmiddels vloeide hieruit voort, dat door deze dubbele correspondentie, wel eenig verwijl veroorzaakt werd, ’t geen te meer in het Ambt van Barneveld, waaronder Voorthuizen behoorde, het geval was; dewijl de Hoofd – Officier of Drost van de Over – Veluwe, op den huize Loevenum bij Harderwijk, woonachtig, eerst van daar op Arhem corresonderen, en van die plaats antwoord ontvangende, zulks weder terug naar Barneveld zenden moest. Dit deed mij besluiten om, ( met behoud echter van deze cynofure en inzending van de originele kondschappen en verklaringen,) dadelijk allen in de Fransche taal te vertolken, en aan den Generaal Marmont te verzenden, met eenen zeer beleefden brief, waarin ik hem het geval open lag; tevens met de kennisgeving, dat voor genezing van den gewonden door mij zorg was gedragen, en men daarmede zoude voortgaan, tot nadere beschikking van hem Generaal, die ik vertrouwde, dat dezen Militair, naar verdienste, zou doen straffen. Dezen brief verzond ik, bereids in den vroegen ochtenstond van den anderen dag, met eenen Bode te paard naar het Kamp van Zeyst.

Intusschen was de tweede Hussaar mede zeer vroeg vertrokken; en het geval moet ook zeer spoedig door hem bekend gemaakt zijn: immers ging er door Voorthuizen, al zeer vroegtijdig, een Officier, komende uit het Kamp, naar Deventer, welke, ten huize van Hendrik Wilbrink, in het Hamburger Posthuis, de gansche zaak verhaalde, en aan eenen der Passagiers, die daar was, en het Fransch verstond, zeide: “ dat de Generaal Marmont, den Schout zou doen fusileren, dewijl hij den dader niet dadelijk had gevangen genomen.”

De gezondene Bode terug gekomen zijnde, had niet anders te berigten, dan dat hij mijnen brief aan eenen Franschen Officier, in het Kamp, had ter hand gesteld, zonder eenig antwoord te ontvangen. Ik vleidde mij, inmiddels, dat de Generaal en Chef, uit eene vergelijking van de door mij aan hem gezonde stukken, met de klagten van den anderen Hussaar, de waarheid, alras, zoude ontdekken, en alzoo tot geene geweldadige middelen den toevlugt zoude nemen; beschouwende, in alle gevalle, het gezegde van dien morgen van dezen Franschen Officier, slechts voor Franschen wind en meer niets.

Dan, weldra, ontwikkelde zich het genomen besluit van den Generaal en Chef: want des nachts van den tweeden September voornoemd, de klokke elf uren, werd het dorp, op het onverwachts, en zeer stil bezet, door een detachement van het zelfde zesde Regiment, onder commando van zekeren Luitenant Villedieu, en vergezeld door eenen Adjudant Generaal, en Aide Chirurgijn, welke dadelijk een kleiner detachement uitzond, om den Bouwman Klaas Gerritsen en den Schaapherder te arresteren; terwijl men mij terstond ontbood, aan welk opontbod ik gehoorzaamde.

Bij gemelden Adjudant Generaal gekomen zijnde, vroeg men mij dadelijk naar de reden: “ waarom ik den dader,” die men eenen moordenaar noemde, “ niet had gevangen genomen!” Waarop ik ten antwoord gaf: “ dat, volgens s’Lands wetten, op zulke verwondingen slechts geldboete stonden, en dat men moest begrijpen, niet in Frankrijk, maar in de Bataafsche Republiek te zijn; terwijl de Ingezetenen, naar hunne eigene wetten, geoordeeld werden: dat ik, inmiddels gehoord had, dat men een detachement zou gezonden hebben; ten einde twee Ingezetenen des Ambts te arresteren; vragende op wiens last dit geschied was!” Waarop de Officier mij antwoorde: “ dat zulks op bevel van den Generaal Marmont gebeurde;” hetwelk ik beantwoordde met te zeggen: “ dat ik deze daad voor geweld hield; dat, indien er arresteringen moesten gedaan worden, zulks door, of van mijnentwege, behoorde te geschieden, mits daartoe bevel ontvangende van het Geregtshof of een ander competent Magistraats Persoon         ; dat de Generaal en Chefs slechts over de Fransche Troepen het regtsgebied toekwam; lezende hem, ten dien einde, voor, een der Articles Conyenus, tusschen de Fransche en Bataafsche Gouvernementen, in den jare 1803, gesloten, en waarbij dat wel uitdrukkelijk bepaald was geworden, met bijvoeging, dat ik niet kon begrijpen, waartoe men mij hier anders ontboden had, indien men, zonder mij, en mijn ondanks, eigendunkelijke arrestatatien, gewapenderhand wilde ondernemen; en of men mij ook zocht te arresteren?” Waarop de Adjudant Generaal mij toevoegde: “ Ah! Je m’en fous de yos Articles Conyenus, le Général l’ordonne;” dan omtrent mijn persoon, zeide hij, tot hiertoe, geenen last te hebbe.

Inmiddels keerde het kleine detachement terug, kennis gevende, dat hetzelve, noch den Bouwman noch den Schaapherder gevonden had, maar het gansche huis ledig en verlaten; ’t welk mij zoo veel vermaak deed, dat, op het gezegde van den Luitenant Villedieu: “ cela est bien facheux,” ik hem toevoegde: “au contraire, Monsieur, cela me fait beaucoup de plaifir.” Dit gezegde, hetwelk geenszins van onvoorzigtigheid was vrij te pleiten, deed evenwel eene gansch tegenovergestelde uitwerking; ’t zij, dat de Adjudant Generaal geene kans meer zag, om den Bouwman en den Schaapherder, door geweld, in handen te krijgen, ’t zij, om eene andere reden; hij veranderde dadelijk van toon, en vroeg mij, op eene zeer vriendelijke wijze, “adsistenrie, in het opsporen der bekende personen; verzekerende, dat dezelve voor hun leven niets te vreezen hadden, maar alleen naar het Hoofdkwartier te Zeyst zouden worden overgebragt;” doch dit wederom door mij geweigerd zijne, sloeg ik den Officier voor, “om, deswege, aan het Hof van Justitie te Arnhem te schrijven, en des\elfs bevelen af te wachten:” dan hierin toonde de Adjudant Generaal geen lust althans te hebben, maar beloofde mij “de volkomenste en krachtdadigste bescherming van den Generaal en Chef, indien ik aan deze zijne orders wilde gehoorzamen; voorts de verzekering van zijne gunst, en vrijwaring voor alles, wat mij, uit dien hoofde,

Door het Bataafsche Gouvernement zou aangedaan worden.” Maar hierop antwoordde ik: “dat zulk een voorstel voor eenen Hollander allerbeledigens was; dat ik mijn pligten te wel wist, dan om mij immer met eenen vreemden Generaal te compromitteren, of zijne bescherming tegen mijne wettige Overigheid te zoeken of te genieten; vertrouwende, dat het Bataafsche Gouvernement wel in staat zou zijn, om deszelfs Ambtenaren te mainteneren,” waarmede dit discours ten einde liep.

Intusschen had dit detachement zich in het Dorp gebiljetteerd; doch men berigtte mij, dat ik dadelijk voor de vivres en fourage zou hebben te zorgen, zonder eenige bons, alles tot nader order: waarna mij veroorloofd werd naar huis te keeren, mits, des anderdaags, vroeg in den morgen, mij weder aldaar bevindende, het geen ik beloofde.

Op het verzocht tijdstip te rug gekomen zijnde, vernam ik, dat er een tweede huiszoeking, nog vóór het opgaan der zon, op het Erve Overhorst, had plaats gehad; en dat men, bij deze gelegenheid, twee personen had opgeligt, die ik bevond dezelfde te  zijn, welke als getuigen, in deze zaak, bevorens door mij gehoord waren, terwijl het verlatene boerenhuis thans door eene wacht van zes Hussaren was bezet geworden, die aldaar op krijgsmans genade leefden; zijnde het hen echter verboden, de meubelen te beschadigen, maar het koren en eetwaren was hen ten gebruike gegeven, gelijk dan ook het laatstgenoemde, door meergemelde Hussaren, met gepreste wagens, naar Amersfoort ter markt is gebragt en verkocht geworden.

Beide de Officieren gaven mij van deze gevangenneming kennis; doch deden dit voorkomen, als enkel ten doel hebbende, om deze getuigen met den gekwetsten Hussaar te confronteren, met verzoek, dat ik daarbij wilde tegenwoordig zijn, hetwelk ik aannam te doen, onder protest echter en voorbehoudens de klagten over geweld en dwang; mij daartoe genoopt vindende, uit hoofde van het belang, dat de beide gearresteerden hierbij hadden, als de Fransche taal onmagtig zijnde, en welke men alles kon laten zeggen, wat men wilde.

Dit zoogenaamde verhoor nu, geschiedde voor het bed van den gekwetsten, welke deze beide personen beschuldigde, van hem te hebben vastgehouden, toen de steek met het mes werd toegebragt; ’t geen door de gevangenen gansch en al ontkend werd.- Van alles werd Proces- Verbaal in de Fransche Taal opgemaakt, hetwelk aan mij ter teekening werd aangeboden; dan hetgeen ik weigerde, ten zij, bij hetzelve, vooraf melding werd gemaakt: dat ik, bij dit verhoor, had willen tegenwoordig zijn, alleen om de gearresteerden tot tolk te verstrekken, en mij te verzekeren, dat de antwoorden overeenkomstig de waarheid, bij dat Proces- Verbaal vervat waren geworden, houdende echter en dit alles onverminderd deze gansche behandeling voor niemand met protest van geweld en dwang. De Adjudant Generaal het bovenstaande, in substantie, eigenhandig onder aan gesteld hebbende, teekende ik met hen het papier.

Dan, in plaats van nu deze gearesteerden te ontslaan, gelaste mij voornoemde Adjudant Generaal, om hem dadelijk een Locaal aan te wijzen, ter verdere bewaring van deze beide personen, welke hij niet wilde ontslaan, voor en al eer, de Generaal en Chef, het Proces- Verbaal voornoemd, zou ontvangen hebben. Hier nu was weder niets tegen in te brengen. De Kerkenkamer werd daartoe geschikt, en de gearresteerden daarnaar toe gebragt, en onder bewaking gesteld; gevende de Luitenant Villedieu, in mijne tegenwoordigheid, aan de wacht order: “ dat, indien één of beide derzelve, mogten trachten te ontvlugten, zij hem met de stukken kon betalen, en het kanalje den kop maar moest gekloofd worden.”

Van alles gaf ik aanstonds aan de Drost van Overveluwe; ( Ik meen te weten, dat de Drost van Overveluwe, toenmaals de Heer Mr. A.P. van Westerveld, aan het Hof van Justitie heeft voorgeslagen, om orders, tot apprehensie van de Bouwman en den Schaapherder, te geven, ten einde daardoor, dewijl het toch niet anders kon, den Generaal en Chef te believen; terwijl men het als dan in handen had, om, met het maken van eenige vertooning, de Fransche wraakzucht te voldoen, gelijk meermalen het geval geweest is; en, zoo ik mij nieet bedriege, ook in de Stad Arnhem zelve, eenige tijd daarvoor of daarna, met iemand, die beschuldigd werd, eenen Fransche Officier miszegd of misdaan te hebben, gebeurd is, en waardoor zeer waarschijnlijk de executie dadelijk zou zijn opgeheven; dan hierin werd aan de zijde van het Hof niet bewilligd. Men maakte alzoo eene vertooning van magt, die men niet bezat; terwijl de Ingezetenen de slagtoffers bleven.- Hier had toch plaats, Quid si me Tonfor, &c. ) doch eer ik daarop eenig bescheid konde krijge, ontving ik, bereids in den achtermiddag van denzelfden dag, door een Ordonnance, de tijding, dat de Generaal Marmont gelast had, de beide personen in gevangenis te houden, en dat het detachement, op executie zou blijven liggen, tot tijd en wijle, ik den Bouwman Klaas Gerritsen met den Schaapherder zou hebben overgeleverd; en dat het voorts de meening van den Generaal en Chef geenszins was, om zich met iemand anders, dan met mij in te laten; hebbende met het Hof van Justitie of ander Magistraats Persoon niets te maken. Hierna vertrok de Adjudant Generaal naar het Kamp van Zeyst terug, en het detachement bleef, onder de orders van meergemelde Lieutenant Villedieu, te Voorthuizen liggen, welke Officier zich, van dat oogenblik af aan, tot zijn vertrek toe, als een uitschot des menschdoms deed onderkennen, en aan wiens rapporten, het verdere gebeurde, in alle deszelfs verzwarende omstandigheden, ongetwijfeld is toe te schrijven. – Nu toch begon het leven op Krijgsmans genade; niets moest ontbreken: de sterke drank werd met de grootste gulzigheid ten lijve ingeslagen, terwijl ik genoodzaakt werd, om, wilde ik in persoon niet mishandeld worden, in de leverantien van vleesch, brood, wijn, hooi, haver en zemelen, op de onbepaalste wijze, te voorzien; zulks doende, deels op eigen crediet, deels ten koste van de Ambtskas.

Ondertusschen had het Hof, na ontvang der stukken, den Drost van Overveluwe geantwoord: “ dat men het vreemd gevonden had, dat de Scholtus van Barneveld, zich met deze zaak, in zoo verre, had ingelaten, dat hij bij een verhoor, op last van eenen Franschen Generaal gehouden, tegenwoordig was geweest; gelastende het Hof, dat, in het vervolg, zulks zoude geweigerd worden; terwijl over het geval zelve, den Generaal geschreven was.” Deze aanmerking trof mij, en ik besloot, mij zelf in persoon, deswege, naar Arnhem te begeven, zoo, om mij mondelijk, konde het zijn, te verdedigen, als ook, om alle moeiten, in het bijzonder, aan te wenden, voor onthef van executie; waartoe ik mij, des te meer, genoopt vond, doordien de Ingezeten van Voorthuizen, bereids een Request aan het Hof hadden geteekend, en ’t welk men begeerde, dat ik in persoon aan den President zoude behandigen; en men reeds, ten huize van zekere Agnietje Gerrits, eene onwijze dochter mishandeld, en vele goedere in stukken geslagen had, zonder dat het mij gelukt was, daarvoor eenige voldoening te erlangen; en ook de Lieutenant Villedieu mij had te kennen gegeven, dat de Generaal en Chef, verbitterd over mijne halsstarrigheid, eerlang nog meer volk naar Voorthuizen zenden zou, met nog veel scherpere orders, dan dit detachement, ten opzigte van mij en de dorpelingen, had ontvangen; hebbende eindelijk de gemelde Luitenant zich, des vorige daags, verstout, om, op bekomene informatie, dat de moeder van den gemelde Schaapherder, welke eene zeer oude en arme vrouw was, te Putten, of onder het Ambt van Putten woonde, met zijn detachement, in het Dorp voornoemd en in den omtrek, gewapende perquifitien te doen, of men den delinquent kon ontdekken; ’t geen hem echter wederom niet gelukte, hoe zeer men zich van de oude vrouw meester gemaakt hebbende, haar op eenen stoel had vastgebonden, en met karabijnen op de borst gedwongen had, om haar zoons tegenwoordig verblijf te ontdekken, doch hetwelk, door de bewezene onkunde dier vrouw, geen gevolg gehad heeft.

Bij den Heer President van het meergemelde Hof van Justitie, te Arnhem, gekomen zijnde, stelde ik dien Heer het bewuste Request ter hand, en trachtte mijn gedrag, tot hiertoe in deze zaak gehouden, te regtvaardigen, door de onmogelijkheid aan te toonen, voor eenen enkelen Officier ten platte Lande, zonder eenige hulp anders dan die van eenen Onderschout en Dienaren van Justitie, om zich tegen detachementen gewapende Militairen te verzetten; ’t geen zelfs bleek, dat ook het gansche respectable Hof van Justitie ondoenlijk was. Waarop de President mij, in substantie, antwoordde: “ dat de zaak zeer netelig was; dat hij het Request zou indienen, en dat het Hof bereids zoodanige maatregelen genomen had, welke van eene goede uitwerking zijn zouden; zijnde reeds per Estafette aan het Staatsbewind geschreven.”

Dit nu deed mij besluiten, om dadelijk naar ‘s Hage te gaan; ten einde, in eene te verzoekene audientie, bij den Heer Voorzitter in ’t Staatsbewind, de gansche zaak, tot meerdere adstructie en informatie, te ontvouwen, gelijk ik ook de eer had bij den gezegden Heer, zijnde toemaals de Heer Willem Queyze, te worden toegelaten, welke na mij gehoord te hebben, verklaarde, “ mijn gehouden gedrag in alles te approberen,” met wijdere kennisgeving, “ dat bereids de Generaal Marmont aanschrijving had, tot ophef dezer geweldige executie; en dat het Staatsbewind niets onbeproefd zou laten, om Voorthuizen te redden.” Waarop ik aan gemelden Heer vroeg, “ hoe het met alle de reeds gemaakte onkosten en schaden gaan zou?” ’t welk beantwoord werd, met te zeggen: “ dat daarover eventueel zou geraadpleegd worden, mits men daarvan goede aanteekeningen hield.”

Ik vertrok nu, met eene goede hoop in het hart, naar mijne wwonplaats terug; vertrouwende, dat de aanschrijving aan de Generaal Marmont, zoo al niet eenen dadelijken ophef, echter, ongetwijfeld, eene staking van verdere Militaire inlegering, ten gevolge zou gehad hebben.

Dan, ik vond mij, in deze blijde verwachting deerlijk bedrogen: want naauwelijks was ik, des anderendaags, Amersfoort gepasseerd, of ik werd onderrigt, dat, op den 13. September, de Generaal Marmont, het executoriaal detachement, met nog 140 man Hussaren en Officieren van het zelfde Regiment, had doen versterken, terwijl de Commandant, Déon genaamd, zich met twee Officieren en vier Hussaren, ten mijne huize, eigendunkelijk hadden gelogeerd. – Terstond gaf ik van deze bevinding kennis aan het Staatsbewind, bij eene korte misfive; latende mij de nood niet toe, om, volgens den anderszins gebruikelijke weg, meer te corresponderen.

Dit detachement te Voorthuizen gekomen zijnde, onder het uitbraken van allerlei soort van vervloekingen en bedreigingen, had zich alom ingekwartierd, zonder, als gewoonlijk, dit werk aan den daartoe gestelden persoon over te laten; terwijl zij dadelijk vleesch, brood, wijn, en wat dies meer is, in eene groote hoeveelheid deden requireren ; gaande daarin zoodanig te werk, dat geenszins de Commandant, maar ieder Hussaar, hoofd voor hoofd, deze eischen deed,en, bij verwijl, de huislieden mishandelde.

Bij mijne eerste ontmoeting met den Commandant, ten mijne huize, vroeg ik hem: “ met welk oogmerk dit alles geschiedde? – dat zoo zulks was, om mij quafi te straffen, ik alsdan verzocht, om de andere Ingezetenen niet met mij te vermengen, dat ik mij altijd konde verantwoorden, dat het Gouvernement, bereids van ’t gansche geval kennis droeg, en, ongetwijfeld, spoedig orders zou stellen.” Waarop deze Officier mij, in substantie, antwoordde: “ dat hij gekomen was op Militaire executie, met het volle regt en magt om alles te vorderen; dat ieder Hussaar meester was om te eischen, alles wat hij begeerde, al ware het vierdubbel meer dan het benoodigde, en dat, hij weigering van iets hij het dorp in brand konde steken; dat ik niet moest gelooven, dat dit er nog bij blijven zou; wetende de Generaal en Chef zeer wel, dat dit District vijf dorpen bevatte; zijnde het deszelfs voornemen, om het gansche zesde Regiment Hussaren, naar herwaarts te zenden, en alzoo het gansche Ambt te executeren; terwijl, wat het Bataafsche Gouverment aanging, hij Generaal daarmede niets nodig had, als wetende, wat hem te doen stond, met eene Gemeente te straffen, alwaar men het Fransche bloed had doen stroomen.”

De toon, waarop deze officier sprak, was zoo hoog gestemd, dat ik nu klaarlijk begon te begrijpen, dat onze Natie zoo laag was gezonken, dat deszelfs Gouvernement, in dit geval, niets meer, dan aanschrijvingen doen kon, terwijl aan de zijde van Frankrijk, dit alles voor een kinderspel gehouden werd, en alle hulp, welke ik van dien kant verwacht had, vruchteloos zou zijn.

Ik zag mij alzoo genoodzaakt, om, ten beste der Ingezetenen, deze geweldenaars op eenen vriendelijken toon te behandelen; en het gelukte mij ook, om, na eenige dagen, het zoo ver te brengen, dat de inkwartiering wederom aan mij werd overgelaten, waardoor ik in staat werd gesteld, om door de meerde verspreiding der Militairen, de massa der Ingezetenen eenigzins te verligten.

Inmiddels wachtte ik vergeefs op eenige orders uit den Haag, toen, eindelijk, de Commanderende Officier, mij, op den 17. September, kennis gaf: “ dat, indien ik begeerde, de executie te zien opheffen, of dezelve, immers niet verdubbeld te zien, mijn eenigste toevlugt de Generaal en Chef zelf was, dien ik, door mijn halstarrige weigering, verbitterd had; dat ik aan hem, voor het Dorp Voorthuizen, genade moest smeeken, in welk geval, hij Commandant, dit verzoek zou aanbinden; waartoe hij zeide bewogen te zijn, door de vriendelijkheid, welke ik hem en het Corps Officieren, ten mijne huize, had aangedaan,” mij met eenen bespottenden lach afvragende: “ of ik bereids de verwachte orders, tot ophef der executie uit den Haag al ontvangen had.”

Ziende zoo geenen andere uitweg, besloot ik hierin, den raad van dezen Officier te volgen, te meer, daar ik vernomen had, dat den volgenden Zondag, het Dorp Barneveld mede stond bezet te worden. Ik vervoegde mij alzoo met eenen beleefden brief aan den Generaal Marmont, waarin ik het gebeurde met de verwonding van den Hussaar, zoo veel mogelijk, verschoonde, met bede, dat deze executie goedgunstelijk mogte worden opgeheven. Ik zond dezen brief, onder adres, van den Luitenant Generaal Dumonceau, Commanderende de Bataafsche Divisie, in het Kamp bij Zeyst; verzoekende deszelfs voorspraak, ter bevordering van mijn oogmerk; en deze brieven werden nog denzelfden dag afgezonden.

Intusschen bleef de stand der zaken onveranderd, tot den 23. Der maand, wanneer de Adjudant Majoor Wagner, uit het Kamp, ten mijne huize kwam; overbrengende eenen brief van den Luitenant Generaal Dumonceau, welke ik hier woordelijk geve:

In het Kamp bij Zeyst den 21. Septemder 1804.

De Luitenant Generaal Dumonceau,

Commanderende de Bataafsche Arinee.

                                                                     Aan

Den Baljuw J.J. Elsevier

te Voorthuizen.

    Mijn Heer!

  Ik heb de eer om u te informeren, dat ik uwen brief, eigenhandig, aan den Generaal en Chef Marmont overgegeven, en alles bij hem aangewend heb, om hem te bewegen, dat de Gemeente van Voorthuizen, van de op haar gelegde executie, bevrijd te worde. Ik hoop, dat zulks van het beste effect zal zijn. – Intusschen is mij de Generaal en Chef wat verbitterd voorgekomen, over de handelswijze eeniger Ingezetene van voornoemde Gemeente tegen de Fransche Militairen, hetgeen, zonder twijfel. Oorzaak is, dat dezelve, ten aanzien van het gedane verzoek, niet dadelijk zijne decifie gegeven heeft.

Heil en achting!

( get. )  Dumonceau.

Voorts bragt deze Officier een mondeling bevel van den Generaal en Chef; inhoudende, om mij dadelijk naar het Kamp bij Zeyst, te begeven, ten einde de meening van hem Generaal te verstaan.

Tot deze reis bevond ik mij echter niet in staat, uit hoofde eener verwonding, ten gevolge van eenen val met rijtuig, mij, den 18. Bevorens, overkomen; al waarom de Heer Kuisten van Hoezen, voormaals Officier in ’s Lands dienst, en zich toen ten mijnen huize bevindende, deze Commissie, namens mij, op zich nam, waarvan de Generaal Dumonceau vooraf verwittigd werd.

Deze Heer volbragt dan ook, vriendschapshalve, den volgende dag, dit onaangenaamde bezoek; wanneer hij, door den Luitenant Kolonel Le Fèvre de Montigny, bij den Generaal en Chef gebragt, zich getroosten moest, een kwartiers uurs te worden uitgescholden: waarna, eindelijk, de Generaal, welke niet verstond, dat iets hoegenaamd, ter verschooning werd ingebragt, verklaarde, de executie te zullen opheffen; doch, onder bedreiging, “dat hij dagelijks zich zou doen informeren, naar het gedrag der Voorthuizeren, ten opzigte der Fransche Militairen; en dat, bij de eerste en geringste klagt van eenig soldaat, hij het Dorp in brand zou steken, en de Ingezetenen eeuwig zou doen heugen, dat hij Generaal in het land geweest was.”

Hierop volgde nu, op den 25. September, de ophef der inlegering; dan de Gemeente bleef echter bezwaard, met de oppassing van den gewonden Hussaar, die, hoezeer gansch en al hersteld, zich nog ziek en zwak veinsde; hetgeen hem echter niet belette, om in zijn kwartier, ten huize van Hendrik van Ansen, op zekere dag, als naar gewoonte, beschonken zijnde, veel goed, waaronder de portierglazen in een Fransche Wagen, aan stukken te slaan; terwijl hij dagelijks, uit Amersfoort, van zijne makkers ontving, die zich als zijne waardige medehelpers gedroegen, en op kosten der Gemeente teerden, van welk lastig verblijf, het Dorp niet eer, dan in den aanvang van October, ontslagen is geworden, wanneer men nog de onbeschaamdheid had, om voor denzelfden Hussaar, eene verklaring van goed gedrag van mij af te vorderen; doch aan welken eisch, ik geweigerd heb te voldoen. Intusschen waren de gevangen personen, bij het vertrek der Franschen, wederom op vrije voeten gesteld.

Wat nu, in dien tusschentijd, door het Bataafsche Gouverment is verrigt geworden, is aan den schrijver onbekend gebleven; alleen is bij hem, eenige tijd na den afloop der executie, eene Missive ontvangen van den Drost van Overveluwe, daarbij inzendende, eene Kopijelijke kennisgeving van een besluit van het Staatsbewind; lastgevende, om deze inlegering opteheffen. Intusschen kan de onpartijdige lezer, uit den inhoud van den brief, bevorens geboekt, ligtelijk opmaken, dat veel minder de gegevene orders aan den Generaal, dezen ophef hebben bewerkstelligd, dan het verzoek van den schrijver, door den Generaal Dumonceau ondersteund; immers, dat de Fransche Generaal voornoemd, zich weinig aan zoodanige bevelen moet bekreund hebben, is gebleken, uit dergelijke Militaire executien, door hem, in het vervolg, te Loenen aan de Vecht en te Doetichem, ondernomen, die genoegzaam wereldkundig zijn; terwijl nog, in dat zelfde jaar 1804, de Natie, bovendien, heeft moeten toezien, dat, op aanklagte van den Ambassadeur De Semonville, eenige leden uit het Staatsbewind, zich hebben moeten verwijderen; ten einde den Generaal Marmont, omtrent zeker besluit, waarop hij zich beledigd achtte, voldoening te geven; en welke voldoening, gewapenderhand zou genomen zijn, indien het Staatsbewind daarin niet bewilligd had; zijnde bereids, op geheime last, de inkwartieringbiljetten, te Voorthuizen, door den schrijver, in de maand December, in gereedheid gebragt geworden, voor hetzelfde zesde Regiment Hussaren, en achtste Regiment Jagers te paard, welke op hunnen marsch, uit Zutphen en Deventer, naar de Provincie van Holland, hoogstwaarschijnlijk naar den Haag, aldaar moesten overnachten; doch welke marsch, om voorschevene reden, is achtergebleven.

De hoop, middelerwijl, mij door den Voorzitter van het Staatsbewind, tot schadeloosstelling gegeven, deed mij besluiten, om al de Leverantien, Spandiensten en Schaden, de noodige lijsten op te maken, en dezelve in te zenden: en het heeft dan ook het Bataafsche Gouvernement goedgedacht, voormelde schadeloosstelling aan de Ingezetenen, ten beloope in alles van ƒ 4494: 16 :0 toe te staan; welke gelden ook aan de belanghebbenden zijn uitgereikt geworden.

Ik voeg hier nog bij, dat over deze gansche zaak, geene nadere vorderingen van het Fransche Gouvernement schijnen gedaan te zijn; ten minste zijn de Bouwman Klaas Gerritsen en de Schaapherder tot hunnent wedergekeerd, en van wege de Justitie ongemoeid gelaten.

Op deze wijze liep eene zaak ten einde, zeker tot dien tijd toe, buiten voorbeelds in ’s Lands geschiedenissen, en wier gansche toedragt, veelligt, tot veler kennis niet zou gekomen zijn, indien het der Voorzienigheid niet behaagd had, onze slaafsche ketenen te verbreken; terwijl ik dit verhaal eindig, met den vurigsten wensch, dat ons vaderland van zulke Bondgenooten en bondgenootschappelijke handelingen, in het vervolg, voor altijd moge verschoond blijven!

XXXXXXX

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

3 Responses to Militaire executie Voorthuizen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *